De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.3.3:3.3.3 Pedagogische autonomie in het openbaar onderwijs
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.3.3
3.3.3 Pedagogische autonomie in het openbaar onderwijs
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949368:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aan het openbaar onderwijs komt niet, zoals aan het bijzonder onderwijs, de vrijheid van richting toe. Het openbaar onderwijs is immers neutraal en staat onder dominante invloed van de overheid. De overheidsinvloed op het openbaar onderwijs blijkt uit het derde lid van artikel 23 van de Grondwet. Hierin is bepaald dat het openbaar onderwijs bij wet wordt geregeld.1 Door het ontbreken van de vrijheid van richting kan hieruit ook niet de vrijheid van inrichting worden afgeleid. Uit het derde lid van artikel 23 van de Grondwet kan niettemin worden afgeleid dat aan het openbaar onderwijs een zekere mate van vrijheid van inrichting toekomt.2 Deze vrijheid van inrichting van het openbaar onderwijs wordt pedagogische autonomie genoemd. Grondrechten zoals de vrijheid van inrichting komen immers niet toe aan de overheid, waar het openbaar onderwijs deel van uitmaakt.
In artikel 23, derde lid, van de Grondwet was tot 1917 bepaald dat de inrichting van het openbaar onderwijs bij wet geregeld moest worden. Bij de grondwetswijziging uit 1917 – die voortvloeide uit de pacificatie – zijn de woorden de inrichting van vervallen. Hiermee beoogde de wetgever onder andere mogelijk te maken dat – net als het bijzonder onderwijs – het openbaar onderwijs over een zekere mate van pedagogische autonomie zou gaan beschikken. De wetgever schrijft hierover het volgende in de toelichting bij deze grondwetswijziging:
“Het onderwijs moet niet voor alle tijden en plaatsen onveranderlijk worden en versteenen, maar zich met plaats en tijd en verschillende opvoedkundige inzichten kunnen meebewegen, mits slechts ieder ouder, die zijn kinderen op de openbare school wenscht te brengen, er van verzekerd kan zijn, dat de godsdienstige begrippen, in zijn gezin levende, worden geëerbiedigd.”3
De ratio voor de grondwetgever om het openbaar onderwijs een zekere mate van pedagogische autonomie te geven is om veranderingen in het onderwijs niet geheel afhankelijk te maken van de wetgever. Als het gehele openbare onderwijs bij wet ingericht zou moeten worden, dan zou het onderwijs zich niet kunnen aanpassen aan nieuwe ontwikkelingen. Ook zou het openbaar onderwijs rekening moeten houden met de wensen van de ouders van de leerlingen.4 Tevens is het aan de school om de onderwijsmethode en de bijbehorende leermiddelen te kiezen. De redenen van de wetgever om het openbaar onderwijs pedagogische autonomie te geven komt overeen met twee van de perspectieven op pedagogische autonomie die zijn beschreven in § 2.4.4. Namelijk dat pedagogische autonomie het mogelijk maakt om in te spelen op de belangen van de leerling en dat een bepaalde mate van vrijheid of autonomie de onderwijsverstrekker de mogelijkheid geeft om het onderwijs te blijven vernieuwen. Op basis van pedagogische autonomie van het openbaar onderwijs kan de openbare school kiezen voor een bepaalde pedagogische stroming zoals Dalton of Freinet.5
Uit de hiervoor geciteerde passage uit de memorie van toelichting, en uit artikel 23, derde lid, van de Grondwet, blijkt tevens een grens van de pedagogische autonomie van het openbaar onderwijs, de eis dat het openbaar onderwijs neutraal dient te zijn. Het openbaar onderwijs kan zich dan ook niet zodanig inrichten dat zij zich, zoals gebruikelijk in het bijzonder onderwijs, gaat inrichten naar een bepaalde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting. Behoudens de richting kan evenwel aangenomen worden dat de pedagogische autonomie van de openbare school dezelfde reikwijdte heeft als de vrijheid van inrichting van de bijzondere school.