Recht, plicht, remedie
Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/9.5:9.5 Conclusie
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/9.5
9.5 Conclusie
Documentgegevens:
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657457:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De centrale stelling van deze dissertatie is dat remedies steeds in verband moeten worden gebracht met de materiële gedragsnorm die daaraan ten grondslag wordt gelegd. Die stelling moet niet zo worden gelezen dat een remedie uitsluitend op een al dan niet dreigende normschending gestoeld zou kunnen worden. Dat zou namelijk een misvatting zijn: in zeldzame gevallen is het wel degelijk mogelijk dat een remedie wordt opgelegd zonder dat een normschending kan worden aangewezen. De stelling is veel eerder dat waar de normschending de grondslag voor de remedie is, het een fout zou zijn de normatieve informatie die die gedragsnorm biedt niet centraal te stellen bij de selectie en vormgeving van de remedie.
Het aantal gevallen waarin een remedie beschikbaar is zonder normschending is overigens beperkt. Zo wordt wel gesteld dat vorderingen als de revindicatie en de actio negatoria ‘direct’ op het subjectieve recht gestoeld zijn. Dat is in die zin juist dat een voorafgaande normschending voor het slagen van die acties niet vereist is. Het punt is evenwel dat dat zo uniek nog niet is. Voor toewijzing van een rechterlijk bevel ter handhaving van een gedragsnorm is nooit een voorafgaande normschending vereist. Bovendien is het feit dat degene die een zaak revindiceert of een actio negatoria instelt een subjectief recht heeft slechts de helft van het verhaal. De andere helft is dat degene die wordt aangesproken ook altijd verplicht is die zaak af te geven of de zaak van de ander vrij te maken.
Moeilijker zijn de veroordelingen tot schadevergoeding zonder voorafgaande normschending. In die gevallen ontstaat de verplichting tot vergoeding nadrukkelijk op andere gronden dan de schending van een gedragsnorm. Voorbeelden zijn de risicoaansprakelijkheden en de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van zaakwaarneming. De gedaagde wordt hier niet aangesproken omdat hij iets verkeerds heeft gedaan, maar omdat uit het systeem voortvloeit dat hij en niet de eiser deze kosten zou moeten dragen. Daarbij is het vaak wel zo dat een gedragsnorm op de achtergrond alsnog een rol speelt – de Hoge Raad legt het gebrek-criterium uit artikel 6:174 BW bijvoorbeeld nadrukkelijk uit aan de hand van de mate van zorg die van de eigenaar mag worden verwacht – zodat daar nog steeds wel enige informatie uit kan worden geput. Hoewel de invloed hier dus nadrukkelijk veel minder groot is en – belangrijker – de grondslag echt elders moet worden gezocht, is die invloed er wel. De norm is daar wellicht niet de belangrijkste, maar nog altijd een belangrijke bron van informatie ten behoeve van de vormgeving van de remedie.