Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/10.7.2
10.7.2 Beslissingsruimte en verantwoording
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS381861:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In de OM Jaarberichten van 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016 (te vinden op: www.om.nl/actueel/jaarberichten) is geen sprake van enig beleid ten aanzien van het enquêterecht. Speerpunten van het beleid zijn onder meer georganiseerde criminaliteit, afpakken crimineel vermogen, cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit, fraude (waaronder faillissements- en zorgfraude), mensenhandel en -smokkel, terrorisme en radicalisering. Zie ook De Meijer, diss. (2003), p. 405.
Een voorbeeld in dit kader is het verzoek van de onteigende aandeelhouders van SNS Reaal aan de A-G om een enquête om redenen van openbaar belang in te dienen bij SNS Reaal. De A-G heeft hen tot op heden niet (officieel) bericht of hij de enquête zal instellen. Dit heeft de Beleggersvereniging VEB, belangenbehartiger van de onteigende aandeelhouders, mij bericht. De onteigende aandeelhouders hebben uiteindelijk het heft in eigen handen genomen en zijn door zowel de OK als de Hoge Raad ontvankelijk verklaard in hun enquêteverzoek. Zie § 3.1.10.1.
Zie § 10.3.3.
Zie § 10.3.2.
Anders dan bij strafvervolging, legt het OM op het terrein van het enquêterecht geen verantwoording af over de wijze waarop het omgaat met deze beslissingsruimte. De discretionaire enquêtebevoegdheid van de A-G is niet onderworpen een vorm van (rechterlijk) toezicht en het OM voert geen beleid ten aanzien van het enquêterecht.1
Gelet op de koppeling met het opportuniteitsbeginsel en de daarbij behorende verantwoordelijkheid, lijkt het mij wenselijk dat deze leemte wordt opgevuld. Het verdient mijns inziens niet de aanbeveling om de discretionaire bevoegdheid van het OM in het enquêterecht te onderwerpen aan een vorm van rechtelijke controle zoals in art. 12 Sv (§ 10.7.1). In het strafrecht is het uitgangspunt dat het OM tot vervolging overgaat, maar art. 167 lid 2 Sv kent het OM expliciet de bevoegdheid toe van vervolging af te zien op gronden aan het ‘algemeen belang’. In het enquêterecht geldt het tegenovergestelde uitgangspunt: de A-G is slechts bevoegd een enquêteverzoek in te dienen wanneer het openbaar belang dat vergt. Een vorm van rechterlijke controle zoals in art. 12 Sv zou derhalve leiden tot een onwerkbare situatie. Een rechtstreeks belanghebbende zou dan zijn beklag bij het hof (een aantal leden van de OK?) kunnen doen wanneer de A-G niet overgaat tot het indienen van een enquêteverzoek om redenen van openbaar belang. Het hof dient vervolgens te beoordelen, analoog aan art. 12 Sv, of het indienen van een enquêteverzoek had moeten plaatsvinden op gronden ontleend aan het algemeen belang. Dit betekent dat het hof zich in de beklagfase reeds moet uitlaten over de vraag of er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen en of er een algemeen belang als gevolg daarvan in het geding is. Dit opent een ‘sluiproute’ naar de OK voor iedere belanghebbende die geen of een niet bevredigend antwoord van de A-G heeft gehad op zijn verzoek aan hem om op te treden.
Er zijn bovendien eenvoudigere alternatieven om meer controle en inzicht te krijgen in de wijze waarop het OM omgaat met de beslissingsruimte. Te denken valt aan het ontwikkelen van richtlijnen over de wijze waarop het OM uitvoering geeft aan de taak die het is toebedeeld in het enquêterecht. Daarnaast zou het OM zijn beslissing om geen gehoor te geven aan verzoek van een niet-enquêtegerechtigde tot het indienen van een enquête, kunnen motiveren. Zo wordt inzichtelijker waarom de A-G niet overgaat tot het indienen van een enquête om redenen van openbaar belang.2 Gelet op de wetsgeschiedenis zou het ook terecht zijn om deze “grondslag” meer kracht bij te zetten. Bij de jongste herziening van het enquêterecht in 2013 benadrukt de wetgever dat de enquêtebevoegdheid van de A-G een belangrijke aanvulling is in het geval een bepaalde partij zelf geen toegang heeft tot de enquêterecht en het openbaar belang in het geding is.3 Ook de Commissie Verdam is reeds in 1965 van mening dat de A-G niet alleen kan optreden wanneer het openbaar belang een onderzoek vergt, maar ook op verzoek van personen die geen eigen enquêtebevoegdheid hebben.4
Het ontwikkelen van richtlijnen en een motiveringsplicht zorgt bovendien voor meer duidelijkheid en controleerbaarheid en draagt zo bij aan de rechtszekerheid. Opeenvolgende A-G’s kunnen hun taak in het enquêterecht aan de hand van richtlijnen mogelijk ook doeltreffender en efficiënter uitoefenen. Dit kan hen wellicht stimuleren om actiever gebruik te maken van het enquêterecht, onder meer in het kader van de bestrijding van misbruik van rechtspersonen.