Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap
Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/5.4.3.3.1:5.4.3.3.1 Verplichting tot behoorlijke uitoefening van de bestuurstaak
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/5.4.3.3.1
5.4.3.3.1 Verplichting tot behoorlijke uitoefening van de bestuurstaak
Documentgegevens:
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS444969:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII* (2010), nr. 94.
Kamerstukken I, 2006/07, 28 746, E, p. 21, Asser/Maeijer 5-V (1995), nr. 94, Pitlo/ Raaijmakers (2000), p. 159-160, Mohr & Meijers (2009), nr. 2.3.4., Hamers & Van Vliet (2012), nr. 2.8.4., Assink (2013), § 99.3.
Zie hierover Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond (2013), nr. 257.
Asser/Maeijer 5-V (1995), nr. 94.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hierboven heb ik gesteld dat er twee aan elkaar complementaire benaderingswijzen denkbaar zijn om de vennootschapscrediteur te beschermen die met een besturende commanditair handelt. Naast de ex ante benaderingswijze die hiervoor is beschreven staat een tweede benaderingswijze, die ex post werkt. Deze strekt ertoe de besturende commanditair aansprakelijk te houden indien hij, kort en enigszins onnauwkeurig gezegd, misbruik maakt van de beperking van zijn aansprakelijkheid. Bij deze benadering zou ik als uitgangspunt willen hanteren de gedragsnorm die inhoudt dat de besturende commanditair, net als ieder ander die – vennoot of niet – de functie van bestuurder van de vennootschap vervult, zijn taak behoorlijk dient uit te oefenen. In art. 7:809 lid 3 BW zoals voorgesteld in het wetsvoorstel Personenvennootschappen was dat uitdrukkelijk bepaald: een besturend vennoot is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak.1 In de bestaande wetgeving ter zake van personenvennootschappen ontbreekt een bepaling van die strekking, maar dat een bestuurder zijn taak naar behoren dient te vervullen wordt desalniettemin ook voor personenvennootschappen algemeen aanvaard.2 De redenering daarbij is dat in art. 2:9 lid 1 BW een vergelijkbare verplichting is opgenomen voor bestuurders van rechtspersonen,3 en er geen reden is waarom een dergelijke regel niet zou gelden voor bestuurders van niet-rechtspersonen.4