Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/6.10.3.8
6.10.3.8 Earnings stripping benadering
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS298398:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een dergelijke maatregel wordt ook overwogen in het kader van de common consolidated corporate tax base (‘CCCTB’). Zie Anti-abuse rules, CCCTB/WP065\doc\en, Brussels 26 March 2008, p. 3-5.
Anders dan de oude regeling tegen onderkapitalisatie is de Zinsschranke ook van toepassing ten aanzien van de belastingheffing van een bedrijf waarvan de winst wordt betrokken in de heffing van de inkomstenbelasting. In deze paragraaf wordt uitsluitend ingegaan op de Zinsschranke voor zover deze aftrekbeperking betrekking heeft op de vennootschapsbelasting.
Fuehrich is van mening dat de Zinsschranke in strijd komt met de vrijheid van vestiging omdat een Organschaft alleen mogelijk is tussen Duitse vennootschappen en alleen een Duits concern aldus aan de Zinsschranke kan ontkomen. G. Fuehrich, ‘Ist die geplante Zinsschranke europarechtskonform?’, IStR 10/2007, p. 343.
Nederland zou verder inspiratie kunnen putten uit de beperking van de aftrek van de rente die met ingang van 2008 in Duitsland geldt. Deze Duitse aftrek-beperking is een zogenoemde earnings stripping regel: de aftrek van de rente wordt gemaximeerd tot een percentage van de winst nadat daarop een aantal correcties is toegepast.1 De capital allocation benadering fungeert als safe haven. De aftrekbeperking is namelijk niet van toepassing als de belastingplichtige niet behoort tot een groep. Bovendien kan de belastingplichtige aan de werking van de zogenoemde Zinsschranke ontkomen wanneer hij in geringere mate met vreemd vermogen is gefinancierd dan de groep als geheel.
De Zinsschranke beperkt de aftrek van de rente voor zover het saldo van de verschuldigde en de ontvangen rente hoger is dan 30% van de belastbare winst nadat daarop een aantal correcties zijn toegepast.2 De gecorrigeerde winst is gelijk aan de belastbare winst verminderd met de ontvangen rente en vermeerderd met de verschuldigde rente en de afschrijvingen. De rente die niet in aanmerking komt, wordt voortgewenteld naar het volgende jaar en kan in dat jaar binnen de grenzen van de Zinsschranke in aftrek komen.
De Zinsschranke is niet van toepassing wanneer het saldo van de verschuldigde rente en de ontvangen rente minder is dan € 1,0 mio. Bovendien geldt een uitzondering indien de belastingplichtige geen onderdeel is van een concern (‘de concernuitzondering’). De Zinsschranke is dus niet van toepassing als de fiscale eenheid (Organschaft) samenvalt met het concern.3 Of sprake is van een concern wordt bepaald aan de hand van IFRS dan wel op grond van de zogenoemde ‘general accepted accounting principles’ (GAAP) van een lidstaat van de EU of de US GAAP.
Heeft de belastingplichtige een eigenvermogensratio die niet meer dan 1% lager is dan die van het concern dan ontkomt hij eveneens aan de Zinsschranke (de eigenvermogenratio-uitzondering). De eigenvermogenratio is de verhouding waarin het eigen vermogen staat tot het balanstotaal. De vergelijking van de eigen vermogenratio van de belastingplichtige met die van het concern waarvan hij deel uitmaakt, moet worden uitgevoerd op grond van de balansen per ultimo van het voorafgaande boekjaar. Deze balansen dienen te zijn opgesteld op grond van IFRS, de GAAP van een lidstaat van de EU of de US GAAP.
Voor de toepassing van de eigenvermogenratio-uitzondering moeten op het commerciële eigen vermogen van de belastingplichtige een aantal correcties worden gemaakt. Zo dient de commerciële boekwaarde van de aandelen die de belastingplichtige houdt in andere concernvennootschappen in mindering te komen op zijn commerciële eigen vermogen.
De concernuitzondering is niet van toepassing indien ten minste 10% van het saldo van de verschuldigde en ontvangen rente toerekenbaar is aan schulden die zijn verstrekt door een aandeelhouder met een direct of indirect belang van ten minste 25% in de belastingplichtige dan wel door aan een dergelijke aandeelhouder gelieerde persoon of een onafhankelijke derde die zich op een dergelijke aandeelhouder dan wel gelieerde persoon kan verhalen. Een grotendeels vergelijkbare exceptie geldt onder omstandigheden ten aanzien van de eigenvermogenratio-uitzondering.
Wordt de Nederlandse regeling tegen onderkapitalisatie op de earnings stripping benadering gebaseerd, dan kan art. 10d als volgt gaan luiden:
Bij het bepalen van de winst komen niet in aftrek vergoedingen terzake van geldleningen en daarmee vergelijkbare overeenkomsten voorzover het saldo van deze vergoedingen en de vergoedingen op schuldvorderingen meer bedraagt dan 30% van de gecorrigeerde belastbare winst en dit meerdere € 1 000 000 te boven gaat. De gecorrigeerde belastbare winst is gelijk aan de belastbare winst, berekend zonder de toepassing van deze bepaling, vermeerderd met de vergoedingen terzake van geldleningen en daarmee vergelijkbare overeenkomsten en de afschrijvingen als bedoeld in de artikelen 3.30 en 3.30a van de Wet inkomstenbelasting 2001 en verminderd met de vergoedingen op schuldvorderingen.
Voorzover vergoedingen terzake van geldleningen en daarmee vergelijkbare overeenkomsten in een jaar ingevolge het eerste lid niet in aftrek zijn gekomen, vermeerderen zij in het volgende jaar het saldo van de vergoedingen terzake van geldleningen en daarmee vergelijkbare overeenkomsten en de vergoedingen op schuldvorderingen als bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid.
Het eerste lid vindt geen toepassing indien:
de belastingplichtige niet met andere lichamen in een groep, bedoeld in artikel 24b van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel een soortgelijke buitenlandse wettelijke regeling, is verbonden;
de belastingplichtige aannemelijk maakt dat geen sprake is van een teveel aan vreemd vermogen. Het teveel aan vreemd vermogen is het bedrag waarmee het gemiddeld vreemd vermogen van de belastingplichtige uitgaat boven de gemiddelde bezittingen van de belastingplichtige vermenigvuldigd met een factor.
Voor de toepassing van het eerste lid worden:
vergoedingen terzake van geldleningen en daarmee vergelijkbare overeenkomsten opgevat en bepaald op de voet van deze wet met dien verstande dat daar niet onder worden begrepen vergoedingen die niet in aanmerking zijn gekomen op grond van artikel 10, lid 1, onderdeel d, artikel 10a en artikel 10b;
vergoedingen op schuldvorderingen opgevat en bepaald op de voet van deze wet met dien verstande dat daar niet onder worden begrepen vergoedingen die niet in aanmerking zijn gekomen op grond van artikel 12c en artikel 13.
Voor de toepassing van het derde lid wordt het gemiddeld vreemd vermogen van de belastingplichtige opgevat en bepaald op de voet van titel 9, boek 2, van het Burgerlijk Wetboek, dan wel volgens soortgelijke buitenlandse wettelijke regelingen met dien verstande dat daarop in mindering komen schuldvorderingen op lichamen waarmee de belastingplichtige in een groep is verbonden.
Voor de toepassing van het derde lid worden de bezittingen van de belastingplichtige opgevat en bepaald op de voet van titel 9, boek 2, van het Burgerlijk Wetboek, dan wel volgens soortgelijke buitenlandse wettelijke regelingen met dien verstande dat daaronder niet worden begrepen schuldvorderingen op en belangen in lichamen waarmee de belastingplichtige in een groep is verbonden.
De factor, bedoeld in het derde lid is gelijk aan het gemiddeld vreemd vermogen gedeeld door de gemiddelde bezittingen, volgens de geconsolideerde jaarrekening van de groep, bedoeld in artikel 24b van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel een soortgelijke buitenlandse wettelijke regeling, waarvan de belastingplichtige deel uitmaakt. Indien de belastingplichtige deel uitmaakt van meer dan één groep wordt de groep met het grootste balanstotaal als maatstaf genomen.
De in dit artikel bedoelde gemiddelden worden bepaald naar de stand bij het begin en het einde van het jaar.
Het eerste en het tweede lid van deze bepaling laten zich aan de hand van een aantal voorbeelden toelichten (daarbij wordt de franchise van € 1 mio. buiten beschouwing gelaten). Is de belastbare winst 22,5 en de verschuldigde rente 17,5, dan bedraagt de gecorrigeerde belastbare winst als bedoeld in het eerste lid 40. De maximaal aftrekbare rente is dan gelijk aan 30% van 40 = 12. De niet-aftrekbare rente is dan 17,5 – 12 = 5,5. Dit bedrag wordt voortgewenteld naar het volgende jaar.
Wanneer de belastbare winst in jaar 2 gelijk is aan 52,5 en de verschuldigde rente 17,5 bedraagt, is de gecorrigeerde belastbare winst 70. De maximale aftrekbare rente is 30% van 70 is 21. De niet-aftrekbare rente is dan 21 – (17,5 + 5,5) = 2. Dit bedrag wordt voortgewenteld naar jaar 3, enzovoorts.
Maakt de belastingplichtige in jaar 1 geen winst maar een verlies van 7,5, dan bedraagt de gecorrigeerde belastbare winst als bedoeld in het eerste lid 10. De maximaal aftrekbare rente is dan gelijk aan 30% van 10 is 3. De niet-aftrekbare rente is dan 17,5 – 3 = 14,5. Dit bedrag wordt voortgewenteld naar het volgende jaar.
Is de belastingplichtige niet alleen rente (17,5) verschuldigd maar ontvangt hij ook rente (van stel 7,5) en is zijn belastbare winst 20, dan bedraagt de gecorrigeerde belastbare winst als bedoeld in het eerste lid 20 + 17,5 – 7,5 = 30. Het saldo van de verschuldigde en ontvangen rente (17,5 – 7,5 = 10) is dan niet aftrekbaar voor zover het hoger is dan 30% van 30 = 9. De niet aftrekbare rente bedraagt dus 10 – 9 = 1. Dit bedrag wordt voortgewenteld naar het volgende jaar.