Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.5.1
5.5.1 De rechtsvorm kerkgenootschap
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633579:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Keijzer & Oldenhuis 2014, p. 422, 423.
Van Kooten 2017, p. 288.
Sommige auteurs (zoals Van der Ploeg 2008, p. 88, 89 en Huizink 2021, Commentaar op art. 2:2, aant. 2.2.) beschouwen het kerkgenootschap als een privaatrechtelijke rechtspersoon. In hun visie bestaan namelijk twee soorten rechtspersonen: enerzijds privaatrechtelijke rechtspersonen (art. 2:2 en 2:3 BW), waaronder kerkgenootschap, vereniging, stichting, nv, bv en anderzijds publiekrechtelijke rechtspersonen (art. 2:1 BW), zoals provincies en gemeenten. Daarentegen zijn volgens onder meer Pel (Pel 2013, p. 122, 124, 125, 140) en Rensen (Asser/Rensen 2-III 2017/383) drie soorten rechtspersonen: (1) publiekrechtelijke rechtspersonen (art. 2:1 BW), (2) het kerkgenootschap als rechtspersoon sui generis (art. 2:2 BW) en (3) privaatrechtelijke rechtspersonen (art. 2:3 BW). Om die discussie te vermijden gebruik ik niet de term privaatrechtelijke rechtspersoon, maar kerkgenootschap, stichting of vereniging.
Van Bijsterveld & Vermeulen webeditie 2021, par. 9, laatst geraadpleegd op 29 november 2021.
Van Kooten 2014, p. 365, 379.
Kamerstukken II 1984/85, 17725, nr. 7, p. 13. Handelingen II OCV/UCV 1987-88, 18 november 1987, p. 14-16; Hoge Raad 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1531, r.o. 3.2 met verwijzing naar Conclusie A-G van 19 april 2019,ECLI:NL:PHR:2019:434, r.o. 2.8 en 2.9: “het gaat om sterk dwingend recht, zoals een beperkt aantal bepalingen omtrent misdrijven volgens het Wetboek van Strafrecht die van fundamentele aard zijn, bijvoorbeeld het verbod om mensenoffers te brengen en het verbod van polygamie”. Zie voor een uitgebreide analyse van de zinsnede ‘in strijd met de wet’ Santing-Wubs 2002, p. 33-52.
Keijzer & Oldenhuis 2014, p. 426.
Van Kooten 2014, p. 350.
Duynstee 1935, p. 3; zie ook Vleugel 2018, p. 262.
Artikel 21 van de Staatregeling van 1798; Pel 2013, p. 116.
Artikel 165, 169 en 170 Grondwet 1848.
Artikel 1, 5 en 6 Wet op de Kerkgenootschappen, Wet van 10 september 1853, Stb. 102, ingetrokken bij de Wet op de openbare manifestaties, Wet van 20 april 1988, Stb. 1988, 157; Pel 2013, p. 87.
Duynstee 1935, p. 7.
Zie over de geschiedenis van de wettelijke term ‘kerkgenootschap’: Van Kooten 2017, p. 186; Pel 2013, p. 123, 128, 129; Vleugel 2018, p. 259, 260.
Pel 2013, p. 92; Van Wijk e.a. 2013, p. 125.
Duynstee 1935, p. 7; Asser/Rensen 2-III 2017/376); Van Kooten 2014, p. 350 vtn 6.
Kamerstukken II 1984/85, 17725, nr. 7, p. 11; Kamerstukken II 1987/88,17725, nr. 13, p. 7.
Kamerstukken II 1984/85, 17725, nr. 7, p. 11; Kamerstukken II 1987/8817725, nr. 13, p. 7.
Dit is volgens Pel 2013, p. 97 een bewuste keuze geweest met het oog op nieuwe religies waarbij de godsverering als element ontbreekt.
Duynstee 1935, p. 15.
HR 23 juli 1946 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), NJ 1947, 1.
HR 31 oktober 1986, NJ 1987, 173, die het oordeel van Hof Den Haag volgt, met name r.o. 5 van het arrest van Hof Den Haag opgenomen in dit arrest van de Hoge Raad. Volgens Rechtbank Den Haag 9 februari 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP4424, r.o. 4.2, kan een gestructureerde organisatie worden afgeleid uit het statuut van het kerkgenootschap en de door het kerkgenootschap afgelegde verklaringen.
Rechtbank Breda (pres.) 23 november 1987, ECLI:NL:RBBRE:1987:AH2007 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl, KG 1988, 4; Rechtbank Dordrecht 9 juli 2008, ECLI:NL:RBDOR:2008:BD6638, r.o. 5.2.2; Hof Den Haag 6 oktober 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BL0403, r.o. 4 en 5; Rechtbank Den Haag 9 februari 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP4424, r.o. 4.2.
Rechtbank Den Haag 9 februari 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP4424, r.o. 4.3.
Van Kooten 2017, p. 289, 292; Van Wijk e.a. 2013, p. 126.
Pel 2013, p. 92-98.
Witteveen 1984 (diss.), geraadpleegd als Kamerstukken II 1983/84 16635, nr.4, p. 251 e.v.
Van Kooten 2017, p. 200.
Van Kooten 2014, p. 352, 353.
Oldenhuis 2008, p. 4.
Van Kooten 2014, p. 355, 361.
De uit artikel 6 GW voortvloeiende vergaande organisatievrijheid van rsl-gemeenschappen – die zowel de oprichting als de inrichting omvat – is voor kerkgenootschappen, hun zelfstandige onderdelen en de lichamen waarin zij zijn verenigd, geconcretiseerd in artikel 2:2 BW.1 Dit artikel luidt als volgt:
Lid 1: Kerkgenootschapen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, bezitten rechtspersoonlijkheid.
Lid 2: Zij worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Met uitzondering van artikel 5 gelden de volgende artikelen van deze titel niet voor hen; overeenkomstige toepassing daarvan is geoorloofd, voor zover deze is te verenigen met hun statuut en met de aard der onderlinge verhoudingen.
Een kerkgenootschap kan zelfstandige onderdelen omvatten en meerdere kerkgenootschappen kunnen verenigd zijn in een overkoepelend lichaam of in regionale en landelijke overkoepelende lichamen. Wat ik hierna opmerk over het kerkgenootschap geldt mutatis mutandis ook voor een zelfstandig onderdeel en een overkoepelend lichaam. Op grond van artikel 2:2 BW bezit een kerkgenootschap rechtspersoonlijkheid (lid 1). Dit betekent dat het als subject van civielrechtelijke rechten en verplichtingen kan deelnemen aan het rechtsverkeer en bijvoorbeeld zelfstandig overeenkomsten kan sluiten. Deze deelname aan het rechtsverkeer zal veelal plaatsvinden via personen en/of organen die bevoegd zijn het kerkgenootschap te vertegenwoordigen. Verder biedt deze bepaling de geloofsgemeenschap de waarborg om als kerkgenootschap op grond van het beginsel van scheiding van kerk en staat de eigen organisatie naar eigen religieuze inzichten – zonder inmenging van de staat – vorm te geven (lid 2).2
Kerkgenootschappen vormen een aparte categorie rechtspersonen, ook wel genoemd ‘een rechtspersoon sui generis’, wat erop neerkomt dat de structuur en inrichting van deze rechtspersoon niet door de wet, maar primair door het eigen – geschreven of ongeschreven – statuut worden bepaald.3 De wetgever heeft deze categorie geplaatst tussen de publiekrechtelijke rechtspersonen van artikel 2:1 BW (beheerst door publiekrechtelijke regels) en de privaatrechtelijke rechtspersonen van artikel 2:3 BW (beheerst door voornamelijk de regels van boek 2 BW).
In tegenstelling tot bij de in de wet expliciet geregelde rechtspersonen, met inbegrip van de vereniging en stichting, die naast de algemene bepalingen van rechtspersonenrecht een per categorie bepaald wettelijk regime moeten volgen, wordt het kerkgenootschap geregeerd door zijn eigen statuut. Een statuut verwijst naar een interne kerkelijke regeling, zoals het canoniek recht van het Rooms-Katholieke Kerkgenootschap (RKK) en de Kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN).4 In het kerkelijke statuut zouden volgens Van Kooten bepaalde zaken niet mogen ontbreken: bepalingen over de organisatiestructuur, vertegenwoordiging van de kerkelijke rechtspersoon, de ontbinding daarvan, de benoeming van vereffenaars en de bestemming van een batig liquidatiesaldo.5
Het kerkgenootschap wordt slechts door zijn eigen statuut beheerst voor zover dit niet strijdig is met de wet. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de term ‘wet’ hier niet slechts duidt op wet in formele zin maar op bepalingen van fundamentele aard of sterk dwingend recht, waarbij is gedacht aan zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen.6 Rensen wijst erop dat een inbreuk door de staat op het statuut van een kerkgenootschap moet voldoen aan de eisen van het EHRM aan de beperking van godsdienstvrijheid: de inbreuk moet voorzien zijn bij wet7 en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.8 Volgens Keijzer & Oldenhuis zijn geen gevallen bekend dat de rechter het statuut van een kerkgenootschap in strijd achtte met de wet.9
‘Kerkgenootschap’ is een wettelijke term die duidt op een bijzondere rechtsvorm. Het is geen synoniem voor kerk als geloofsgemeenschap10 en dus geen theologisch begrip.11 Het juridische begrip kerkgenootschap stamt uit de Staatsregeling van 1798.12 Het begrip kerkgenootschap kwam ook voor in de Grondwet tussen 184813 en 1983 alsook in de in 1988 ingetrokken Wet op de kerkgenootschappen van 1853.14 Uit de gelijkstelling van alle godsdiensten in de Grondwet van 1848 leidde Duynstee af dat de term kerkgenootschap niet beperkt was tot de christelijke en joodse godsdienst.15 In 1976 verschijnt de term kerkgenootschap bij de invoering van het tweede boek van het BW in artikel 2:2 BW. Daarmee wordt een eigensoortige categorie rechtspersoonsvorm aangeduid, die beheerst wordt door eigen kerkrechtelijke regels.16
In tegenstelling tot bij de andere rechtsvormen bevat de wet zelf geen formele of materiële kenmerken of criteria van de rechtsvorm kerkgenootschap.17 Er bestond tot halverwege 20e eeuw geen behoefte aan een definitie van kerkgenootschap, want het begrip werd vooral geassocieerd met christelijke en joodse geloofsgemeenschappen, de religieuze gemeenschappen die destijds in Nederland voornamelijk voorkwamen.18 Later, met de opkomst van uiteenlopende religieuze stromingen in Nederland, nam die behoefte aan een definitie wel toe. Volgens de parlementaire geschiedenis zou een scherpe algemene wettelijke definitie echter problematisch zijn juist vanwege de grote diversiteit van geloofsgemeenschappen.19 Ook was de gedachte dat een te ruime omschrijving gevaren van misbruik zou oproepen, zodat het bij twijfel de voorkeur verdiende dat de rechter over een concreet geval moet beslissen, aldus de parlementaire toelichting.20 Een noodzakelijkerwijs globale wettelijke aanwijzing zou de rechter namelijk weinig steun kunnen bieden om in twijfelgevallen grenzen te trekken. Wel blijkt uit de parlementaire toelichting dat een kerkgenootschap wordt gekarakteriseerd door het element van gemeenschappelijke godsverering of op zijn minst gemeenschappelijke religieuze beleving of bezinning; levensbeschouwelijke organisaties die dit element missen, waren volgens de parlementaire toelichting geen kerkgenootschappen.21
In een brief van 2004 aan de Tweede Kamer gebruikte minister Donner van Justitie de volgende omschrijving, waarbij het element ‘gemeenschappelijke godsverering’ niet meer voorkwam:22 “Een kerkgenootschap is een organisatie van aangeslotenen die zich de gemeenschappelijke religieuze beleving of bezinning van deze personen op grond van gemeenschappelijke godsdienstige opvattingen ten doel stelt en als zelfstandig kerkgenootschap wil gelden. Een kerkgenootschap heeft een eigen rechtspersoonlijkheid als zij een religieus doel heeft, een vorm van organisatie kent en als kerkgenootschap wil deelnemen aan het rechtsverkeer.”23 Minister Donner hanteerde hier een definitie van Maeijer, die teruggaat op die van Duynstee.
Duynstee kwam in 1935 met een definitie die nog steeds een grote rol speelt in de rechtspraak: “een kerkgenootschap is een blijvende vereeniging van personen, welke zich de gemeenschappelijke godsvereering harer leden, op den grondslag van gemeenschappelijke godsdienstige opvattingen, ten doel stelt.”24 Geïnspireerd hierdoor vermeldde de Hoge Raad in 1946 als kernelement van een kerkgenootschap het zich ten doel stellen van de gemeenschappelijke godsverering van de leden op grond van gemeenschappelijke godsdienstige opvattingen.25 Uit latere jurisprudentie van de Hoge Raad kunnen twee minimumeisen worden gedestilleerd: er moet sprake zijn van een godsdienst en van een gestructureerde organisatie van diens aanhangers.26
Andere cumulatieve criteria uit de (lagere) rechtspraak zijn: het hebben van bestuur en leden, het houden van eigen erediensten, de wens om als rechtspersoon aangemerkt te worden en als eenheid naar buiten op te treden alsook het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer.27 De (beperkte) plicht voor kerkgenootschappen om zich in te schrijven in het Handelsregister is geen vereiste voor bezit van rechtspersoonlijkheid, want die rechtspersoonlijkheid volgt voor kerkgenootschappen van rechtswege uit artikel 2:2 BW.28 In de praktijk speelt deze registratie echter een cruciale rol voor het civiele rechtsverkeer. Een ontbrekende registratie van een kerkgenootschap zal een belemmering vormen voor het zaken doen met dat kerkgenootschap omdat het geen uittreksel uit het Handelsregister kan overleggen.29
In de rechtsliteratuur komen diverse definities en omschrijvingen van het kerkgenootschap voor. Het gaat daarbij veelal om een objectief element (een organisatie van aangeslotenen met een religieus karakter) en een subjectief element (de wens om als kerkgenootschap te gelden).30 Witteveen geeft in plaats van een definitie een selectie van eigenschappen die karakteristiek zijn voor geloofsgemeenschappen: vereniging van personen (samenwerkingsverband), met gedeelde geloofsopvattingen (grondslag) die in de praktijk worden gebracht (doel) en die als geloofsgemeenschap wil worden aangemerkt (wil).31
Rensen prefereert een meer open begripsomschrijving (zonder de termen ‘godsverering’ en ‘godsdienstige grondslag’) die beter past bij de diversiteit aan religieuze gemeenschappen in de hedendaagse samenleving en omschrijft het kerkgenootschap als ‘een religieuze gemeenschap die zichzelf als kerkgenootschap beschouwt’.32 Deze omschrijving bevat drie kenmerken van een kerkgenootschap: (1) een gemeenschap van personen (2) met een religieus karakter (3) die de wens heeft een kerkgenootschap te zijn. Van Kooten omschrijft het begrip kerkgenootschap “als een duurzame organisatie waarbinnen de aangeslotenen door middel van erediensten hun religie belijden en delen of waarin activiteiten die voortvloeien uit die religieuze leer zijn ondergebracht, en die als religieus instituut wil gelden”.33 Van Kooten beklemtoont dat deze omschrijving slechts minimumvoorwaarden bevat (organisatie van duurzame aard, met een religieus karakter, met aangeslotenen, met de intentie als religieus instituut aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen) en dat de rechter aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval extra voorwaarden kan stellen om te beslissen dat er sprake is van een kerkgenootschap.34 Uiteindelijk is het de rechter die de reikwijdte van het begrip kerkgenootschap bepaalt en begrenst.35 De meeste zekerheid dat er sprake is van een kerkgenootschap kan worden verkregen door rechterlijke vaststelling via een verklaring-voor-rechtprocedure krachtens artikel 3:302 BW.36
Kerkgenootschappen in de zin van artikel 2:2 BW zijn in Nederland gevestigde kerkgenootschappen of, als het om een internationaal kerkgenootschap gaat, het in Nederland bestaande onderdeel daarvan. Een voorbeeld van een dergelijke internationale kerk is de Rooms-Katholieke Kerk; de katholieke kerkprovincie in Nederland geldt voor het Nederlandse privaatrecht als een kerkgenootschap.
5.5.1.1 Zelfstandige onderdelen5.5.1.2 Lichamen waarin kerkgenootschappen zijn verenigd