Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/7.3.3:7.3.3 Burgerlijk Wetboek (oud)
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/7.3.3
7.3.3 Burgerlijk Wetboek (oud)
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS486020:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Oven 1958, p. 6; Asser/Mijnssen/Van Dam/Van Velten 2002 (3-II), p. 21.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 625 BW (oud) omschrijft eigendom als volgt:
‘Eigendom is het regt om van eene zaak het vrij genot te hebben en daarover op de volstrektste wijze te beschikken, mits men er geen gebruik van make, strijdende tegen de wetten of de openbare verordeningen, daargesteld door zoodanige magt, die daartoe volgens de Grondwet de bevoegdheid heeft, en mits men aan de regten van anderen geen hinder toebrenge; alles behoudens de onteigening ten algemeenen nutte tegen behoorlijke schadeloosstelling ingevolge de Grondwet.’
In dit artikel lijken naast elkaar te staan het recht op genot en het recht om te beschikken. Van Oven heeft evenwel aangetoond dat met de termen ‘genot’ en ‘beschikken’ wordt bedoeld het ‘doen met een zaak wat men verkiest’. Daarbij kan de eigenaar zover gaan dat de gehele zaak verloren gaat. De wetgever zegt met deze twee woorden, aldus van Oven, slechts eending.1
In art. 625 BW (oud) wordt vervolgens nog over ‘gebruik’ gesproken. Naast ‘genot’ lijkt deze term hier geen zelfstandige betekenis te hebben.