Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/2.4
2.4 Artikel 2 VEU
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS949750:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Visser 2019, p. 294. Het gaat dan om menselijke waardigheid, vrijheid, gelijkheid, beschermen van minderheden, non-discriminatie en gelijkheid van vrouwen en mannen.
COM(2020)790.
De criteria werden in 1995 in Madrid gewijzigd, maar behielden hun oorspronkelijke naam.
Zie Europese Raad in Kopenhagen 21-22 juni 1993, conclusies van het voorzitterschap, par. 7 sub iii.
Resolutie van het Europees Parlement van 3 juli 2013 over de situatie op het gebied van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije (PbEU 2016, C 075/09), onder Q.
Zie bijvoorbeeld SWD(2021)288 (Serbia 2021 Report), p. 8-9; SWD(2021)289 (Albania 2021 Report), p. 9-10; SWD(2021)290 (Turkey 2021 Report), p. 10-11.
COM(2020)790, p. 4.
Resolutie van het Europees Parlement van 3 juli 2013 over de situatie op het gebied van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije (PbEU 2016, C 075/09), onder BJ.
COM(2020)790, p. 1.
Resolutie van het Europees Parlement van 16 september 2021 over de mediavrijheid en de verdere achteruitgang van de rechtsstaat in Polen (PbEU 2021, C 117/16), onder C; Situatie op het gebied van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije (PbEU 2016, C 075/09), onder Q.
COM(2020)790, p. 1.
Bijvoorbeeld SWD(2021)288 (Serbia 2021 Report), p. 12-13; SWD(2021)289 (Albania 2021 Report), p. 13-14; SWD(2021)290 (Turkey 2021 Report), p. 13-15. Zie ook Resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2017 over rechtsstaat en democratie in Polen: stand van zaken (PbEU 2018, C 356/07), onder G.
COM(2020)790, p. 1; Resolutie van het Europees Parlement van 3 juli 2013 over de situatie op het gebied van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije (PbEU 2016, C 075/09), par. 60.
Resolutie van het Europees Parlement van 15 november 2017 over rechtsstaat en democratie in Polen: stand van zaken (PbEU 2018, C 356/07), onder G.
Ook artikel 2 VEU maakt melding van het democratiebegrip, dat wordt aangemerkt als een van de kernwaarden waarop de Europese Unie is gegrondvest. Het artikel luidt: ‘De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen.’ In essentie bevat artikel 2 VEU dezelfde drieslag tussen democratie, rechtsstaat en grondrechten als de Algemene bepaling, waarbij het zwaartepunt in tekstueel opzicht in dit geval bij de grondrechten ligt. Het merendeel van de in het artikel genoemde waarden kan als concretisering van het grondrechtenbegrip gezien worden.1
De relatie tussen de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten is door de instellingen van de Europese Unie meermaals benadrukt. Een exacte inhoud van het democratiebegrip is echter moeilijk te vinden. Uit het werk van de instellingen van de EU zijn enkele, zij het tamelijk marginale, aanknopingspunten af te leiden. Opvallend daarbij is dat de inhoud van het democratieprincipe vooral tot uitdrukking komt op het moment dat ‘de democratie’ als toetssteen dient. Zo kan gewezen worden op het in 2020 door de Europese Commissie vastgestelde ‘Actieplan voor Europese democratie’2 waarin een aantal democratische uitgangspunten de revue passeert. Met dit Actieplan speelt de Europese Commissie in op een aantal uitdagingen waarvoor de Europese democratieën zich haars inziens geplaatst zien, zoals de snelle groei van online verkiezingscampagnes, de rol van online platforms en zorgen omtrent het fenomeen van desinformatie. Daarnaast komen enkele democratische uitgangspunten naar voren in de Resoluties die het Europees Parlement heeft aangenomen over de toestand van de rechtsstaat en democratie en de bescherming van grondrechten in Polen en Hongarije (waarover in de volgende paragraaf meer). Gelijksoortige uitgangspunten zijn af te leiden uit de toelatingsprocedure voor nieuwe lidstaten. Deze toelatingsprocedure is gebaseerd op artikel 49 VEU, dat stelt dat staten die de in artikel 2 VEU genoemde waarden eerbiedigen, kunnen verzoeken om lid te worden van de Europese Unie. Deze eis, op zijn beurt, is te herleiden tot de zogenoemde ‘criteria van Kopenhagen’ die de Europese Raad in 1993 aannam.3 Naast, kort gezegd, het bestaan van een functionerende markteconomie en het onderschrijven van de doelstellingen van de EU, gaat het daarbij om het vereiste dat de betreffende staat stabiele instituties kent die ‘de democratie, de rechtsorde, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden’ kunnen garanderen.4 In de jaarlijkse rapporten die de Europese Commissie over de voortgang van de kandidaat-lidstaten op deze gebieden publiceert, gaat zij uitgebreid op deze vereisten in.
In de eerste plaats wordt de democratie in verband gebracht met het plaatsvinden van vrije en eerlijke verkiezingen. Zo spreekt de Europese Commissie in een Resolutie uit 2013 over de situatie op het gebied van de grondrechten in Hongarije over het belang van ‘een krachtige representatieve democratie op basis van vrije verkiezingen’.5 Ook in de jaarlijkse rapporten van de Commissie over de kandidaat-lidstaten besteedt zij aandacht aan dit aspect, bijvoorbeeld door te beoordelen of de betreffende landen de aanbevelingen van internationale verkiezingswaarnemers, in het bijzonder de OSCE, in acht nemen.6 Tot slot zij gewezen op het Actieplan voor Europese democratie, dat er onder andere op is gericht om de integriteit van de verkiezingen te beschermen.7
Ten tweede komt belang toe aan de bescherming van politieke participatierechten als de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging.8 Zo besteedt het Actieplan voor Europese democratie aandacht aan dit aspect en gaat de Commissie in het bijzonder in op het belang van de vrijheid van meningsuiting. Democratie kan, aldus de Commissie, slechts gedijen als ‘iedereen zijn mening kan uiten, ongeacht hoe kritisch die is voor de regeringen en de machthebbers’.9 Zij wijst in dat kader ook op het belang van onafhankelijke media die in vrijheid hun werk kunnen doen.10 In de inleiding van het Actieplan voor Europese democratie benadrukt de Commissie het vereiste van een ‘publieke ruimte waar een veelheid aan meningen vrijelijk kan worden uitgedrukt en waar vrije media, de academische wereld en het maatschappelijk middenveld hun rol kunnen spelen bij het stimuleren van een open debat, vrij van kwaadwillige binnenlandse of buitenlandse inmenging’.11 Ook in de jaarlijkse rapporten over de kandidaat-lidstaten besteedt de Commissie aandacht aan de vraag of het betreffende land een divers en krachtig maatschappelijk middenveld kent, in welk kader onder meer de bescherming van de vrijheid van meningsuiting en de verenigingsvrijheid aan de orde worden gesteld.12
Deze politieke participatierechten worden in verband gebracht met het vereiste van pluralisme, waarmee een derde aspect van het Europese democratieprincipe is gegeven. Het actieplan voor Europese democratie spreekt van het belang van ‘waarborgen, checks-and-balances en instellingen die hun rol vervullen en de regels van een pluralistisch debat handhaven’.13 In de Resolutie van de Commissie over de rechtsstaat en de democratie in Polen uit 2017 benadrukt zij dat ‘een levendig maatschappelijk middenveld en pluralistische media een vitale rol spelen bij de bevordering van een open en pluralistische samenleving, inspraak in het democratische proces en versterking van de verantwoordingsplicht van regeringen’.14