Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/9.4.4
9.4.4 Bewijs van onderling overleg; relevante feiten en omstandigheden
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS367594:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/165.
Voor deze lijst is inspiratie opgedaan bij buitenlands recht, de AFM-leidraad voor aandeelhouders inzake de meldingsplicht van Hoofdstuk 5.3 Wft, par. 3.5.8 en de mededingingsrechtelijke beoordelingscriteria voor het aannemen van een onderling afgestemde feitelijke gedraging (zie eerder § 9.3.5).
Zie over gelieerde partijen en vermoedens van onderling overleg uitgebreid hoofdstuk 11.
Panel Statement 1992/9 van 26 maart 1992 (Dundee Football Club), p. 13-14. Zie Panel Statement 1989/13 van 14 juli 1989 (Guinness), 1st section, nr. 23 voor een opsomming van omstandigheden die in die zaak tot het oordeel acting in concert leidden.
In Frankrijk heeft de rechter uit het door partijen gepubliceerde doel afgeleid dat zij wel moesten samenwerken om dit doel te bereiken, zie eerder § 5.5.2.2.
Panel Statement 2007/18 van 9 juli 2007 (WTV), nr. 4.3.2.
Voor het aannemen van een overeenkomst volstaat uiteraard niet dat partijen hetzelfde stemgedrag vertonen; hiervoor zijn bijkomende omstandigheden nodig (zie eerder § 9.3.2).
Die omstandigheden moeten naar objectieve maatstaven worden bezien, net als bij de vraag naar het doel van de samenwerking (vgl. § 6.3.2). Partijen kunnen niet a decharge wijzen op het ontbreken van wilsovereenstemming indien de overige omstandigheden daar wel op wijzen. Voor het overige gelden geen beperkingen; wilsovereenstemming kan uit alle mogelijke omstandigheden worden afgeleid.1
Zonder volledigheid te beogen kan worden gedacht aan onderstaande feiten en omstandigheden.2 Daarbij moet er rekening mee worden gehouden, dat partijen gebruik (kunnen) maken van gelieerde partijen of dat zij zelf gelieerd zijn (denk aan familiebanden); voor de doeleinden van de biedplicht kunnen dergelijke partijen worden vermoed in onderling overleg te handelen.3
gebruik van dezelfde adviseur
gevestigd op hetzelfde (statutaire) adres4
benaderen van de doelvennootschap op dezelfde manier of gezamenlijk, bijvoorbeeld met een agenderingsverzoek ex art. 2:114a BW
benaderen van een andere doelvennootschap op dezelfde manier of gezamenlijk
onderlinge vergoedingen of garantstellingen
aan de beweerdelijk gecoördineerde gedragingen voorafgaande gedragingen en de verhouding tot de beweerdelijk gecoördineerde gedragingen
het doel dat partijen zich gesteld hebben5
of derden, zoals bijvoorbeeld de doelvennootschap, hen als een geheel behandelen6
Geen van deze omstandigheden is echter op zichzelf voldoende of doorslaggevend voor het aannemen van onderling overleg (vgl. eerder § 6.4.3.4 sub III).