De kosten van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/7.11:7.11 Concernenquêtes
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/7.11
7.11 Concernenquêtes
Documentgegevens:
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652184:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 4 februari 2005, NJ 2005/127, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2005/58, m.nt. F.J.P. van den Ingh (Landis).
Bartman 2005, p. 555-556. Zie ook Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2020, p. 316-317.
Geerts 2006, p. 15.
Zo ook OK 28 augustus 2012 (dictum), ARO 2012/119 (Pierson & Pierson); OK 1 mei 2014 (r.o. 5.11), ARO 2014/121 (Pierson & Pierson); Jager 2019, p. 368.
Zie over de toelaatbaarheid van de opwaartse concernenquête bijv. Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2020, p. 318-319, met verwijzingen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bartman heeft naar aanleiding van Landis1 de vragen opgeworpen of een in een concernenquête betrokken dochtervennootschap tegen de enquêteverzoeker bij de Ondernemingskamer een schadevordering kan instellen indien het verzoek niet op redelijke grond is gedaan (art. 2:350 lid 2 BW, waarover par. 7.8) en of deze dochtervennootschap de kosten van het onderzoek kan verhalen op de enquêteverzoeker, respectievelijk op bestuurders, commissarissen of anderen in dienst van de moedervennootschap, onder de voorwaarden van art. 2:354 BW. Beide vragen beantwoordt hij ontkennend. Volgens Bartman staat de wettekst aan bevestiging van deze vragen in de weg en heeft de Hoge Raad in Landis de moedervennootschap slechts met haar drie dochtervennootschappen vereenzelvigd met het oog op de toepassing van de bevoegdheidsnorm van art. 2:346 BW en de uitoefening van de bevoegdheden van de onderzoeker (art. 2:351 BW). Een in alle opzichten volledige, procesrechtelijke vereenzelviging in het enquêterecht zou de Hoge Raad volgens Bartman niet hebben beoogd. De moedervennootschap, waarin de enquêteverzoeker aandelen hield in Landis, blijft het procesrechtelijk ‘aanspreekpunt’ in de enquêteprocedure; enkel de moedervennootschap kan de bedoelde vorderingen instellen.2
Een andere opvatting is Geerts toegedaan. Volgens hem heeft de Hoge Raad in Landis de moedervennootschap en dochtervennootschappen niet vereenzelvigd. Hierom kan de in de concernenquête betrokken dochtervennootschap volgens Geerts op grond van art. 2:350 lid 2 BW een vordering tot schadevergoeding tegen de verzoeker instellen indien het verzoek niet op redelijke grond is gedaan en op grond van art. 2:354 BW de kosten van het onderzoek op de functionarissen van de moedervennootschap verhalen.3
Ik zou een wat andere benadering willen voorstaan. Het antwoord op de vraag of een in een concernenquête betrokken dochtervennootschap een verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek op grond van art. 2:354 BW met succes kan indienen is volgens mij betrekkelijk eenvoudig. Dat is afhankelijk van het antwoord op de vraag of, en zo ja, voor welk deel, de dochtervennootschap de kosten van het onderzoek heeft gefinancierd. Art. 2:354 BW biedt immers een vordering tot verhaal van de kosten van het onderzoek.4
Voor de bevoegdheid tot instelling van een vordering op grond van art. 2:350 lid 2 BW zou ik willen aanknopen bij de in het verzoekschrift genoemde rechtspersonen. Wordt een enquête verzocht die zich (mede) richt op de dochtervennootschap en wijst de Ondernemingskamer het verzoek dienaangaande af, dan is de dochtervennootschap bevoegd een vordering tot schadevergoeding op grond van art. 2:350 lid 2 BW in te stellen. Het antwoord op de vraag of de Hoge Raad in Landis al dan niet gebruikgemaakt heeft van het instrument van vereenzelviging doet hiertoe verder niet ter zake. Aan deze uitleg staat de wettekst van art. 2:350 lid 2 BW en art. 2:354 BW mijns inziens niet in de weg.
Dezelfde benadering kan bovendien worden gevolgd bij een eventuele opwaartse concernenquête, waarbij de enquêteverzoeker slechts (certificaten van) aandelen houdt in de dochtervennootschap en tevens een enquête verzoekt naar de moedervennootschap. Wijst de Ondernemingskamer een enquêteverzoek naar die moedervennootschap af, dan kan de moedervennootschap een vordering uit hoofde van art. 2:350 lid 2 BW instellen.5