Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.4.4:9.4.4 De wet en opvattingen in de literatuur
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.4.4
9.4.4 De wet en opvattingen in de literatuur
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS649061:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Schilfgaarde verwijst naar de regeling van hoofdelijkheid in het BW in zijn noot bij HR 11 april 2014 in NJ 2014/309 onder 5.
Van Boom 2016, p. 13.
Biemans, artikel 6:6 BW, aant. 3.
Biemans, artikel 6:6 BW, aant. 5
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nass verdedigt dat, hoewel sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid, geen sprake is van twee separate vorderingsrechten. Op dit punt is de benadering van Nass niet in strijd met de wet. Artikel 6:7 BW spreekt niet van het bestaan van meerdere (zelfstandige) vorderingsrechten:
Artikel 6:7 BW
Indien twee of meer schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn, heeft de schuldeiser tegenover ieder van hen recht op nakoming voor het geheel.
Nakoming door een der schuldenaren bevrijdt ook zijn medeschuldenaren tegenover de schuldeiser. Hetzelfde geldt, wanneer de schuld wordt gedelgd door inbetalinggeving of verrekening, alsmede wanneer de rechter op vordering van een der schuldenaren artikel 60 toepast, tenzij hij daarbij anders bepaalt.
Verbondenheid impliceert het bestaan van een verbintenis, maar daarmee is nog niet gegeven dat deze verbintenis het bestaan van een vorderingsrecht inhoudt. Het idee van meerdere verbintenissen in plaats van meerdere vorderingsrechten is in het kader van artikel 2:403 BW reeds genoemd door Van Schilfgaarde;
“Anders dan (misschien) het oude BW, gaat ons huidige BW uit van de zienswijze dat bij hoofdelijkheid, wettelijke hoofdelijkheid daaronder begrepen, steeds sprake is van meerdere, zelfstandige – zij het samenhangende – verbintenissen.”1
Dat hoofdelijkheid leidt tot het bestaan van meerdere verbintenissen, wordt algemeen aanvaard. De literatuur is op dit vlak uitgesproken. Van Boom spreekt over hoofdelijke verbintenissen, maar niet over hoofdelijke vorderingsrechten:
“Dit boek gaat over hoofdelijke verbintenissen, dat wil zeggen de rechtsfiguur waarbij twee of meer personen tot dezelfde prestatie gehouden zijn in die zin dat zij elk voor de gehele prestatie aangesproken kunnen worden en dat het nakomen van de verbintenis door de ene debiteur mede bevrijdend is voor de andere debiteur(en). Hoofdelijkheid is dus een juridisch leerstuk dat een samenloop of gemeenschap van debiteuren aanduidt die elk afzonderlijk tot het verrichten van één en dezelfde prestatie zijn gehouden.”2
Ook Biemans spreekt over verbintenissen en spreekt niet van vorderingen of vorderingsrechten:
“Het gaat hier om een verbintenis waar aan de schuldenaarskant van de prestatie meer dan één persoon staat.”3
Het gaat volgens Biemans kennelijk om een en dezelfde prestatie. Niet twee (of meer) met elkaar corresponderende prestaties. Ook Biemans signaleert de onduidelijkheid hieromtrent:
“Met ‘een zelfde schuld’ in art. 6 lid 2, is bedoeld één bepaalde op zichzelf staande prestatie als object van een verbintenis. Helemaal duidelijk is het begrip niet (...).”4