Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/5.6
5.6 Uitbreiding bevoegdheden medezeggenschapsorganen in internationale (concern)verhoudingen?
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS392018:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit citaat is aangehaald in het SER-advies 08/01 p. 30.
SER-advies 08/01, p. 31.
SER-advies 08/01, p. 32.
SER-advies 08/01, p. 33.
H. van Ees e.a, Verliest de medezeggenschap aansluiting? Onderzoek naar de medezeggenschapsstructuren in hedendaagse ondernemingen', Den Haag: ministerie van Sociale Zaken 2007.
M.A. de Blécourt, J.J.M. Lamers, Is medezeggenschap bestand tegen internationale aansturing? In: L.C.J. Sprengers, G.W. van der Voet, De toekomst van medezeggenschap. Aanbevelingen aan de wetgever, Deventer: Kluwer 2009, p. 49-51.
Kamerstukken II, 2010-2011, 29544, nr. 264.
Kamerbrief medezeggenschap van 2 december 2011. Dit is eerder voorgesteld in het Kabinetsstandpunt medezeggenschap 2009 p. 11.
Kamerstukken II, 2012-2013, 33367.
Zie bijvoorbeeld: Kamerbrief medezeggenschap van 2 december 2011.
In internationale concernverhoudingen volgt de medezeggenschap in het algemeen niet de zeggenschap. De zeggenschap wordt aan de top van het internationale concern uitgeoefend en de medezeggenschap op een lager niveau. Dit geldt door de toepassing van de Nederland-constructie zowel voor een concern met een Nederlandse moedervennootschap (concernleiding) als een concern met een buitenlandse moedervennootschap. Zowel de medezeggenschap op grond van de WOR als de vennootschapsrechtelijke medezeggenschap op grond van Boek 2 BW – met uitzondering van het spreekrecht – worden uitgehold.
In de literatuur en politiek wordt daarom veelvuldig de vraag opgeworpen of de medezeggenschap in internationale verhoudingen moet worden versterkt. In 2008 is deze vraag bijvoorbeeld in het SER-advies evenwichtig ondernemingsbestuur aan de orde geweest. In zijn advies aan de SER overweegt Van het Kaar: “dat in grote internationals het hoogste niveau inmiddels buiten bereik is geraakt van zowel de ondernemingsraad als de raad van commissarissen (...). Het internationale, open karakter van de Nederlandse economie vormt de achtergrond van deze uitzonderingsbepalingen voor internationale holdings in de structuurregeling. Het laten ‘degraderen’ van de centrale ondernemingsraad naar het niveau van de Nederlandse subholding kan daarnaast worden gerechtvaardigd door het territoriale karakter van de WOR (geen werking buiten Nederland).”1
Gevolg is wel dat in toenemende mate strategische besluiten in grote internationale ondernemingen grotendeels aan de invloed van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) zijn onttrokken. Daar staat maar in beperkte mate compensatie tegenover in de (beperkte) rechten van de Europese ondernemingsraad. De SER constateert unaniem dat belangrijke besluiten van internationale concerns zich deels onttrekken aan de medezeggenschap, maar verschillen van mening over de mate waarin dit het geval is en in hoeverre dit problematisch te noemen is. Een deel van de raad is van mening dat de Nederlandse wetgever en de Europese wetgever de gevolgen voor internationalisering van ondernemingen voor de medezeggenschap van werknemers door daartoe strekkende maatregelen moet ondervangen. Maatregelen waaraan dit deel denkt zijn onder meer: (i) het aanscherpen van de EOR-richtlijn (ii) het op EU-niveau voorkomen dat grensoverschrijdende herstructureringen worden gebruikt om medezeggenschap te omzeilen en (iii) een Europese basisregeling voor vennootschapsrechtelijke medezeggenschap.2 Een ander deel van de Raad is van oordeel dat de internationalisering geen medezeggenschapsprobleem met zich brengt, althans geen probleem dat redressering behoeft.3 Ten aanzien van de maatregelen die het andere deel van de SER voorstelt, stellen zij zich op het standpunt dat deze onnodig en ongewenst zijn. De Nederlandse or heeft in hun visie wel dergelijk invloed op het concernbeleid doordat de besluiten van de internationale holding moeten worden uitgewerkt op lager niveau. Een versterking van de vennootschapsrechtelijke medezeggenschap is naar mening van dit raadsdeel slecht voor de concurrentiepositie van Nederland als vestigingsplaats voor hoofdkantoren van internationale concerns.4
Vanwege de verdeeldheid heeft het SER-advies op dit punt niet tot een wijziging van de medezeggenschapsregeling geleid. Van Ees en anderen concluderen dat de medezeggenschap in internationale organisaties in een vacuüm terecht is gekomen. Strategie en organisatieontwikkeling vindt steeds meer vanuit het buitenland plaats en de medezeggenschap sluit daarbij niet aan.5 In 2009 heeft de werkgroep medezeggenschap van de Vereniging voor Arbeidsrecht een aantal aanbevelingen aan de wetgever gedaan. Een van de onderwerpen waarop naar haar mening verbetering mogelijk is, is de medezeggenschap in het internationale bedrijfsleven. De werkgroep pleit onder meer voor het schrappen van de buitenlandsclausule en het codificeren van de leerstukken medeondernemerschap en toerekening zodat de buitenlandse moedervennootschap weet waar hij aan toe is.6
In 2010 heeft de Tweede Kamer de motie Hamer aangenomen. Deze motie roept de regering op om in samenwerking met werkgevers- en werknemersorganisaties te onderzoeken hoe ondernemingsraden intensiever kunnen worden betrokken bij overnames, fusies en splitsingen of verplaatsingen, in het bijzonder van die van internationale ondernemingen. In 2011 gaat de minister in de Kamerbrief medezeggenschap in op (de uitvoering van) deze motie. De minister ziet, gezien de substantiële bevoegdheden van or en vakbonden – ook ten aanzien van beslissingen die in het buitenland worden genomen – en de territoriale werking van de or geen aanleiding de advies- of instemmingsrechten van de or uit te breiden.7 De minister is ter uitvoering van deze motie wel voornemens de informatieverplichting in internationale concerns uit te breiden. Het (internationale) concernbeleid moet regelmatig onderdeel van overleg worden.8 Begin 2013 is een wetsvoorstel waarin de motie Hamer is verwerkt, aangenomen door de Staten-Generaal.9 Dit is mijns inziens geen substantiële uitbreiding van de positie van de or in internationale concernverhoudingen. Eerder in dit hoofdstuk stelde ik voor de buitenlandclausule te schrappen. Dit zou de positie van werknemers in internationale verhoudingen daadwerkelijk verbeteren.
Als tegenargument voor de uitbreiding van medezeggenschap in internationale verhoudingen wordt veelal genoemd dat sterke medezeggenschap slecht is voor het aantrekkelijke vestigingsklimaat van Nederland.10 Of dit daadwerkelijk zo is of dat andere aspecten – zoals fiscale regelgeving – meer doorslaggevend zijn, is niet goed te beoordelen nu onderzoek daaromtrent ontbreekt. Het lijkt mij echter sterk dat medezeggenschap van werknemers – zeker indien het gaat om advies- of spreekrechten – doorslaggevend is voor de vestiging van een onderneming in een bepaald land.
Een deel van de hierboven gesignaleerde problemen zal niet door nationale wetgeving kunnen worden opgelost. Dit zal via Europese/internationale regelgeving dienen te geschieden. De laatste jaren is het aandeel Europees medezeggenschapsrecht aanzienlijk uitgebreid. In de volgende paragrafen zal ik de Europese medezeggenschapsregelingen kort beschrijven en daarbij de vraag beantwoorden of deze regelgeving compensatie biedt voor de uitholling van de Nederlandse medezeggenschap.