Einde inhoudsopgave
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/2.4.2
2.4.2 De Natuurbeschermingswet 1998
mr. drs. S.D.P. Kole, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. drs. S.D.P. Kole
- JCDI
JCDI:ADS444935:1
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Algemeen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 15 november 1967, Stb. 572, laatstelijk gewijzigd Stb. 1995, 355.
Stb. 1998, 403.
Woldendorp 2006, p. 200.
Backes 1995, p. 221 en Freriks 2001, p. 12-15.
Een planologische kernbeslissing is een ruimtelijk plan dat in grote lijnen het ruimtelijke beleid van een bepaald gebied of sector voor de lange termijn beschrijft. De PKB is naar huidig recht vergelijkbaar met de (Rijks)structuurvisie. Zie artikel 2.3, eerste lid Wro.
De PKB en de concrete beleidsbeslissing zijn bij de inwerkingtreding van de Wro afgeschaft. Meer informatie over dit onderwerp is te vinden in Van Buuren e.a. 2006, p. 371 e.v.
Voor wat betreft de literatuur: zie Backes e.a. 2000, p. 20-21 en Freriks e.a. 2002, p. 34. Voor wat betreft de jurisprudentie: Rb. Leeuwarden 17 juli 1998, M&R 1998, p. 98 (Gasboringen Waddenzee), Vz. ABRvS 27 mei 1998, AB 1999, 358 (Grensoverschrijdend bedrijventerrein Aken-Heerlen) en ABRvS 11 januari 2000, AB 2000, 301 (Spontane bosvorming Winterswijk).
Backes 2000, p. 302-305 en in algemene zin Woldendorp en Neumann 2002a en Woldendorp en Neumann 2002b.
Wet 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europees- rechtelijke verplichtingen. Zie Stb. 2005, 195.
HvJ EG 14 april 2005, zaak C-441/03, M&R 2005, 67 (Commissie/Nederland),
Backes 2005, p. 474 en Woldendorp 2006, p. 201.
Zie de Kamerstukken II 31038 (Wijzing van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met de regulering van bestaand gebruik en enkele andere zaken) en Kamerstukken II 32127 (Regels met betrekking tot de versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten, Crisis- en Herstelwet).
Kamerstukken II 2011-2012, 33348, nrs. 1-3.
In 1968 trad de Natuurbeschermingswet in werking.1 In 1998 is deze wet deels vervangen door de Natuurbeschermingswet 1998. Vanwege gebreken in de nieuwe wet zijn onderdelen van de oude Natuurbeschermingswet nog lange tijd van kracht gebleven.2Zoals gezegd verliep het wetgevingstraject van de Nbw 1998 moeizaam. Het lukte de centrale overheid en de decentrale overheden lange tijd niet om overeenstemming te bereiken over de verdeling van taken en bevoegdheden en de wijze van implementatie van de Vrl en de Hrl in de nieuwe wet.3 Aanvankelijk kreeg de omzetting van de Vrl en de Hrl in de nationale wetgeving niet de vereiste aandacht. Dit ondanks het feit dat in de praktijk (aanzienlijke) problemen zijn opgetreden bij de toepassing van het internationale natuurbeschermingsrecht in de Nederlandse rechtsorde.4
Na de inwerkingtreding van de Nbw 1998 startte de EC een verdragschendingsprocedure tegen de Nederlandse regering; naar het oordeel van de EC waren niet alle verplichtingen uit artikel 6 Hrl op een correcte wijze in de Nbw 1998 en de Ffw omgezet. Een belangrijk punt van kritiek betrof de verankering van de gebiedsbeschermende bepalingen in het Nederlandse recht. Genoemde bepalingen waren ondermeer geborgd in het Structuurschema Groene Ruimte (hierna: de PKB).5 De Europese Commissie wees deze wijze van omzetting van de hand. De belangrijkste reden hiervoor vormde de juridische status van de PKB.
De planologische kernbeslissing (PKB) was in de Wet Ruimtelijke Ordening (de voorganger van de huidige Wro) een beleidsmatig instrument ten behoeve van de ruimtelijke ordening in Nederland. Een PKB was in beginsel juridisch niet bindend. Een uitzondering hierop vormden onderdelen van een PKB die waren aangeduid als een concrete beleidsbeslissing. Een dergelijke beslissing werd aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb en was vatbaar voor beroep bij de bestuursrechter.6 Het grootste deel van de PKB Groene Ruimte was niet als zodanig aangemerkt. Daardoor was het niet mogelijk om de uitvoering van de gebiedsbeschermende maatregelen te garanderen.7
Als gevolg van de onjuiste implementatie van de Vrl en de Hrl ontstonden er aan het einde van de vorige eeuw (grote) problemen. Bij de voorbereiding en realisatie van plannen en projecten moesten bestuursorganen achtereenvolgens rekening houden met bepalingen uit de Nb-wet, de Nbw 1998 en delen van de Vrl en de Hrl. Als gevolg daarvan ontstond aanzienlijke vertraging bij de uitvoering van allerlei plannen en projecten.8Onder politieke druk van de EC en vanwege de problemen in de praktijk besloot de Nederlandse regering uiteindelijk tot een aanpassing van de Nbw 1998 ‘in verband met de Europeesrechtelijke verplichtingen’.9 Op 1 oktober 2005 is deze wetswijziging in werking getreden en zijn de laatste onderdelen van de oude Nb-wet uit 1968 ingetrokken. Deze wetswijziging werd nog wel vooraf gegaan door een veroordeling van het HvJ EG vanwege het onjuist implementeren van de Vrl en de Hrl in de voorloper van de huidige Nbw 1998, de Nbw.10 Nadien werd aangenomen dat de Nbw 1998 in algemene zin voldeed aan de vereisten van artikel 6 Hrl.11 Sindsdien is de Nbw 1998 nog tweemaal ingrijpend aangepast: te weten op 1 februari 2009 (in verband met de regulering van bestaand gebruik en enkele andere zaken ) en op 31 maart 2010 (vanwege de inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet).12 Zoals gezegd is bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel aanhangig dat voorziet in de integratie van de Nbw 1998, Flora- en faunawet en de Boswet in een Wet natuurbescherming.13 Dit wetsvoorstel wordt – voor zover relevant − geanalyseerd in de hoofdstukken 3 en 4.