Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/6.6.3.2
6.6.3.2 Art. 3, lid 2, OESO-modelverdrag
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS298360:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
F. Engelen, Interpretation of Tax Treaties under International Law, Doctoral Series 7, Amsterdam: IBFD Acadamic Counsel 2004, p. 566. Zie in dit verband tevens HR 21 februari 2003, nr. 37 011, BNB 2003/177c* over de interpretatie van de term ‘verblijven‘ in art. 15, lid 2, van het belastingverdrag tussen Nederland en Brazilië. Deze term was in het verdrag niet gedefinieerd. Ook in de Nederlandse belastingwetgeving was geen bepaling opgenomen waarin deze term in een vergelijkbare context werd gebruikt. Zijn inhoud werd daarom bepaald met behulp van de uitlegregels van het Verdrag van Wenen. Zie ook HR 1 november 2000, nr. 35 398, BNB 2001/19c waarin aan de orde was of de woorden ‘enige belastingheffing‘ in art. 24, lid 3, belastingverdrag tussen Nederland en Canada betrekking konden hebben op de Nederlandse kapitaalsbelasting. De Hoge Raad overwoog dat deze woorden blijkens het opschrift van het verdrag en art. 2 uitsluitend betrekking hadden op belastingen naar het inkomen. Weliswaar leken zij op zichzelf bezien elke belasting, zonder enige beperking, te betreffen, maar op grond van art. 31 Verdrag van Wenen dienden zij te worden uitgelegd overeenkomstig hun gewone betekenis in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag. Mede gelet op het officiële commentaar op art. 31, bracht dit mee dat voor het vaststellen van de gewone betekenis van woorden in een verdragsbepaling, een verdrag als geheel, en niet de betrokken bepaling los van de overige verdragsbepalingen, moest worden bezien. Hieruit volgde dat art. 24, lid 3, belastingverdrag tussen Nederland en Canada geen betrekking had op de kapitaalsbelasting.
In de woorden van Engelen: ‘if Article 3(2) is interpreted in good faith, as it should be, it is only reasonable to assume that it also applies to the terms of tax treaty that have the same content and meaning as similar but not identical terms of domestic law, as otherwise the rule of Article 3(2) would to a large extent be deprived of its practical effect’. F. Engelen, Interpretation of Tax Treaties under International Law, Doctoral Series 7, Amsterdam: IBFD Academic Counsel 2004, p. 488. In dezelfde zin C. van Raad in zijn annotatie onder HR 28 oktober 1998, nr. 32 330, BNB 1999/347c* en Pj. Wattel en O. Marres, ‘Characterization of Fictitious Income under OECD-Patterned Tax Treaties’, European Taxation 2003, p. 71.
Het OESO-modelverdrag bevat een speciale regel voor de uitleg van een uitdrukking die niet in het verdrag is gedefinieerd. Een dergelijke uitdrukking heeft volgens art. 3, lid 2, OESO-modelverdrag de betekenis die daaraan wordt gegeven in de belastingwet van de staat die het verdrag toepast. Op deze regel geldt echter een uitzondering wanneer de context anders vereist.
Om de betekenis van een uitdrukking te bepalen moet dus eerst worden nagegaan of het verdrag een definitie bevat. Is dat niet het geval, dan geldt de betekenis die de uitdrukking heeft volgens het nationale recht. Daarvan wordt echter afgeweken wanneer de context van het verdrag een andere betekenis vereist.
Naar algemeen wordt aangenomen, is het interpretatievoorschrift van het OESO-modelverdrag een lex specialis ten opzichte van art. 31 en 32, Verdrag van Wenen. Dat betekent echter niet dat de uitleggingsregels van het Verdrag van Wenen zonder betekenis zijn voor verdragen waarin een bepaling is opgenomen die is gebaseerd op art. 3, lid 2, OESO-modelverdrag. Zo blijven deze regels van belang in situaties waarin een term die niet in het verdrag wordt gedefinieerd, niet voorkomt in het nationale recht.1
Art. 3, lid 2, OESO-modelverdrag is niet alleen van belang wanneer in de nationale belastingwet een term voorkomt die identiek is aan de betreffende uitdrukking in het verdrag. Zij geldt evenzeer als in een nationale belastingwet een niet identieke maar wel vergelijkbare term voorkomt.2