Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/8.2
8.2 Object van verdeling
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS344329:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Met het verkrijgingsbegrip doel ik op het voor verkrijging krachtens verdeling door de wet vereiste rechtsgevolg, namelijk het door een of meer deelgenoten verkrijgen van een of meer goederen van de gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten. Zie par. 5.1, 6.1.
Zie par. 6.2, 6.3.
Zie par. 6.11.
Zie par. 6.11.
Vergelijk par. 6.13 (casus II: ABC à 1/3 naar B 2/3, C 1/3). Een dergelijk gevolg kan alleen krachtens verdeling worden bereikt indien het gehele goed als object van verdeling heeft te gelden.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 611; MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 612. Zie ook par. 5.2 e.v., 6.9 en 6.13 (casus II).
Zie par. 6.2: ‘Bij een benadering van ‘verkrijgen’ in termen van aanwas is denkbaar dat een of meer deelgenoten hun gerechtigdheid in relatieve zin vergroten (aanwas), terwijl bij de overige deelgenoten de gerechtigdheid in relatieve zin vermindert of gelijk blijft (ontbreken van aanwas), zonder dat enige deelgenoot ophoudt deelgenoot te zijn. Van verdeling kan in dat geval geen sprake zijn; er treedt geen verminderde mate van onverdeeldheid op zodat aan de maatstaf voor verdeling niet wordt voldaan.’
Voor de opvatting dat het vruchtgebruik latent aanwezig is in het eigendomsrecht, kan mede steun worden gevonden in artikel 3:8 BW waarin is vermeld dat een beperkt recht een recht is dat is afgeleid uit een meer omvattend recht (eigendom). Zie: Huijgen 2008, p. 95; Maasland 2010, p. 74. Over de latente aanwezigheid van het recht zie ook Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 174.
Zie ook: Kleijn & Huijgen 1992, nr. 45, p. 3; Huijgen 2008, p. 95; Maasland 2010, p. 74; Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 174, 188 (althans voor de contractuele verdeling, niet voor de verdeling door de rechter). Zie anders Van Mourik 2010, p. 527.
Zie: Kleijn 1969, p. 12-13; Kleijn & Huijgen 1992, nr. 45, p. 2, alsmede HR 16 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2781, BNB 2005/368, m.nt. I.J.F.A. van Vijfeijken, in welke zaak als verdeling is aangemerkt de zodanige scheiding van de nalatenschap van vader (overleden 1985) dat aan de moeder het zakelijke recht van gebruik en bewoning van het woonhuis werd toebedeeld en aan belanghebbende en diens broer ieder de onverdeelde helft van de blote eigendom. Zie ook HR 11 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4810, NJ 1985, 527, m.nt. W.M. Kleijn (Vier huizen), waarin niet zozeer een verdeling in bovenbedoelde zin wordt aangetroffen, maar een scheiding plaatsvindt van een gemeenschap van blote eigendom tussen vader en de beide dochters. Het in deze zaak aannemen van een gemeenschap van blote eigendom suggereert eveneens een latent aanwezig vruchtgebruik ten behoeve van de vader met betrekking tot het krachtens huwelijksvermogensrecht aan hem toebehorende deel van de (door het overlijden van zijn echtgenote) ontbonden algehele huwelijksgemeenschap. Daar deze studie is beperkt tot de contractuele verdeling, laat ik beschouwingen over de ouderlijke boedelverdeling in de zin van art. 4:1167 OBW in dit verband achterwege. Zie daarvoor: Huijgen 1995b, p. 638-640; Huijgen 2008, p. 94-96.
Zie: TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 611; MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 612; Kleijn & Huijgen 1992, nr. 45, p. 2. Zie ook par. 5.2 e.v.
De sleutel voor het vaststellen van het object van de rechtshandeling van verdeling dient mijns inziens te worden gezocht in de reikwijdte van het voor verdeling vereiste verkrijgingsbegrip.1 Zoals ik eerder heb gesteld wordt de reikwijdte van het ‘verkrijgen’ in het kader van verdeling bepaald door enerzijds de reikwijdte van het begrip ‘verkrijgen’ zoals bedoeld in de eerste volzin van het wettelijke verdelingsbegrip2 en anderzijds door de mate waarin een deelgenoot over (zijn aandeel in) het gemeenschapsgoed kan beschikken.3 Aldus meen ik dat als rechtens juist moet worden beschouwd de opvatting dat het object van de rechtshandeling van verdeling het gehele gemeenschapsgoed betreft, met dien verstande dat het kader voor verkrijging door de (een of meer) verkrijgende deelgenoten wordt bepaald door de cumulatie van de laatstbedoelde criteria.
In één criterium samengevat komt dit erop neer dat voor de toepassing van het bepaalde in art. 3:182 BW dient te worden uitgegaan van het gehele gemeenschapsgoed als object van verdeling, waarbij het kader voor verkrijging door de (een of meer) verkrijgende deelgenoten wordt bepaald door enerzijds de grootte van de gerechtigdheid van de verkrijgende deelgenoot vóór verdeling en levering (als minimum) en anderzijds de totale gerechtigdheid tot het goed als geheel (als maximum).4
Een alternatieve benadering waarbij het object van de rechtshandeling van verdeling gelijk wordt gesteld aan dat van een rechtshandeling zoals koop (met in het geval van een rechtshandeling tussen deelgenoten als object een aandeel in een goed) is een benadering die bezwaarlijk als rechtens juist kan worden aangemerkt. Een dergelijke benadering leidt tot discrepantie tussen oud en nieuw recht met betrekking tot de inhoud en daarmee de reikwijdte van hetgeen als scheiding respectievelijk verdeling wordt beschouwd.5 Deze consequentie is ongerijmd, nu met de terminologische aanpassing nadrukkelijk geen materiële wijziging van de rechtsfiguur is beoogd.6 Ook geeft de uitleg van het begrip ‘verkrijgen’ in art. 3:182 BW in termen van aanwas niet het juiste kader voor de vaststelling of sprake is van verdeling.7 Een dergelijke benadering dient derhalve te worden afgewezen.
Onder de vaststelling dat als object van de rechtshandeling van verdeling heeft te gelden het gemeenschapsgoed als geheel, moet mijns inziens ook worden begrepen een latent8 aanwezig (niet voorafgaand aan de verdeling als zodanig gevestigd) vruchtgebruik.9 Reeds onder oud recht wordt aangenomen dat de toedeling aan een of meer deelgenoten van een latent aanwezig vruchtgebruik op goederen van de gemeenschap als scheiding kan worden aangemerkt.10 Gelet op het gegeven dat bij de overgang van oud naar nieuw recht met de vaststelling van de inhoud en reikwijdte van de rechtshandeling van verdeling geen materiële wijziging ten opzichte van de rechtsfiguur van scheiding is beoogd, mag op dit punt een voortzetting van beleid worden verwacht.11