Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.2.6.3
12.2.6.3 Aanvulling van de feitelijke grondslag: grenzen
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940713:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een belangrijke eis die ook Feteris 2002, p. 211 geheel terecht stelt: de inspecteur moet zich blijven baseren op hetzelfde feitencomplex. Zie voor een goed voorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 12 juli 2016, V-N 2016/51.15.9, r.o. 4.7.
Zie voor een grensgeval Hof Amsterdam 22 januari 2016, V-N 2016/9.6. Het Hof ging (na verwijzing) minutieus na welke feiten en omstandigheden de inspecteur allemaal in de loop van de procedure had aangevoerd ter onderbouwing van de schuldgradatie (zie r.o. 5.3). Daarbij maakte het kennelijk geen verschil in welke fase dat was gebeurd (maar mogelijk was hiertegen geen verweer tegen gevoerd). Met de einduitkomst ben ik het niet eens, omdat de inspecteur in hoger beroep niet alleen de juridische kwalificatie had gewijzigd, maar ook de feitelijke gronden voor de boete had uitgebreid (met een feit van algemene bekendheid).
In zijn noot bij HR 4 april 2001, BNB 2001/272 (punt 3 en punt 6) lijkt Feteris nog wat voorzichtiger, maar in Feteris 2002, p. 211 zit hij vrijwel geheel op mijn lijn: wezenlijke aanpassingen zijn niet toegestaan, een nadere toelichting of precisering wel. Zie verder A-G IJzerman in zijn Conclusie voor HR 7 mei 2021, V-N 2021/21.19, BNB 2021/103, par. 5.14 (gebreken kunnen tot op zekere hoogte worden hersteld). Vgl. voorts de aantekening van Groen bij HR 9 maart 1994, FED 1994/499 (punt 4) en zie ten slotte de verwijzingen in voetnoot 47 op p. 211 van Feteris 2002.
In HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.16, r.o. 3.7.4-3.7.5 gaf de Hoge Raad voor het geding na verwijzing alvast aan dat de gegeven feitelijke onderbouwing niet kon leiden tot het bewijs van opzet. De verwijzingsopdracht werd beperkt tot een onderzoek naar de eventuele aanwezigheid van grove schuld, aangezien de inspecteur ‘voor het overige geen feiten en omstandigheden heeft gesteld’ waaruit opzet zou (kunnen) volgen. Daarin ligt besloten dat de Hoge Raad van oordeel was dat de inspecteur voor het verwijzingshof geen nieuwe feitelijkheden meer mocht aanvoeren ter onderbouwing van het opzet-verwijt.
Zie paragraaf 12.2.2 en paragraaf 12.2.4.
Zie paragraaf 12.2.4 en paragraaf 12.2.5.2, alsmede het aldaar aangehaalde arrest HR 5 september 2003, BNB 2003/349, in het bijzonder r.o. 4.1.
De achterliggende rechtsnorm is immers dat het de boeteling tijdig voldoende duidelijk moet zijn waartegen hij zich moet verdedigen. Een summiere motivering kan dat onmogelijk maken.
Zie daaromtrent nader paragraaf 4.3.2.2.
Zie over de genuanceerde opvatting van het EHRM in bredere zin ook paragraaf 12.2.3.2.
Aldus Feteris 2002, p. 208-209 en p. 211-212.
Vgl. in dit verband het naar aanleiding van een ‘echte’ strafzaak gewezen arrest EHRM 25 juli 2000 (Mattoccia), nr. 23969/94. De rechtsoverweging in par. 61 lijkt zeker ruimte te laten voor herstel van de opgelopen achterstand in verdedigingsmogelijkheden.
In EHRM 25 juli 2000 (Mattoccia), nr. 23969/94, concludeerde het EHRM dat daardoor het recht om zich adequaat te verdedigen effectief was gefrustreerd (par. 61-72).
In de voorgaande paragraaf heb ik verdedigd dat de feitelijke grondslag van de boete na het opleggen niet meer in wezenlijke opzichten gewijzigd mag worden. Naar mijn mening sluit dat goed aan bij de achterliggende verdedigingsnorm van art. 6 EVRM. Het gaat er immers om, dat het de boeteling tijdig voldoende duidelijk is wat hem wordt verweten en waartegen hij zich moet verdedigen. Dat er na de oorspronkelijke mededeling van de reden van de beschuldiging nog een nadere toelichting of aanvulling wordt gegeven, is daarmee niet in strijd. Die nadere toelichting of aanvulling moet wel rechtstreeks voortvloeien uit of verband houden met de oorspronkelijk medegedeelde feiten.1 Er mag niet in wezen sprake zijn van geheel nieuwe feiten.2 In de literatuur is steun voor deze genuanceerde opvatting te vinden.3 Ook de jurisprudentie van de Hoge Raad biedt aanknopingspunten in deze richting.4
Naar mijn mening wordt de grens van het toelaatbare hierbij mede bepaald door de eis van een voldoende mate van detaillering van de mededeling (‘in bijzonderheden’).5 Deze eis voorkomt dat de tijdigheideis kan worden ondermijnd door bij de boeteoplegging in zeer vage termen mede te delen, om die vage mededeling pas later in te vullen aan de hand van voldoende concrete feiten die specifiek zien op de situatie van de boeteling in kwestie.6 Verder is hierbij van belang dat de inspecteur de bestanddelen van het beboetbare feit (uiteindelijk) ‘beyond reasonable doubt’ moet bewijzen. Ook om die reden is er naar mijn mening niet veel ruimte om ten tijde van de mededeling te volstaan met een summiere bewijspositie. Als de inspecteur pas (veel) later allerlei belastende bewijsmiddelen inbrengt en eerst daardoor aan de zware gradatie voldoet, kan de mededelingsplicht worden uitgehold.7
In feite is er met betrekking tot de reden van de beschuldiging voor de inspecteur dus sprake van een variant van de bestuursrechtelijke grondenfuik.8 Na het opleggen van de boete kunnen geheel nieuwe feitelijkheden daar niet meer aan ten grondslag worden gelegd. Argumenten die de reeds aangevoerde feitelijkheden toelichten of nader onderbouwen, zijn daarentegen wél toegestaan. De jurisprudentie van het EHRM is echter niet glashelder over de vraag waar de grens precies ligt.9 Daaruit kan worden afgeleid dat de feitelijkheden in de loop van de procedure nog (wél) wezenlijk kunnen worden gewijzigd of aangevuld,10 mits de boeteling afdoende tijd en gelegenheid krijgt om zich op de gewijzigde beschuldiging in te stellen en zijn verdediging daarop af te stemmen.11 Een combinatie van aanvankelijke vaagheden in de aanklacht met herhaaldelijke wijzigingen van essentiële feitelijkheden in het vervolg van de procedure is voor het EHRM echter een brug te ver.12