Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/10.3.7
10.3.7 Indirecte bewijsmiddelen
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940552:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie omtrent indirect bewijs nader paragraaf 7.3.5.4.
Zie hierover nader paragraaf 7.3.5.4.2 en paragraaf 10.2.1.
Zie omtrent het vermoeden nader paragraaf 10.2.
Vgl. HR 23 mei 1990, BNB 1990/240, r.o. 4.5, en met name het gestelde in de verworpen cassatiemiddelen. Naar mijn mening is er geen reden om aan te nemen dat dit oordeel alleen voor vermoedens en niet voor andersoortig indirect bewijs zou gelden. Zie voorts paragraaf 10.2.2.2.
Zie in het bijzonder EHRM 11 juli 2006 (Jalloh), nr. 54810/00, NJ 2007/226, par. 96: is het bewijs erg sterk en bestaat er geen risico op onbetrouwbaarheid, dan is steunbewijs minder noodzakelijk. Naar mijn inschatting heeft dit uitgangspunt ook een rol gespeeld in het arrest De Legé, waarover nader in paragraaf 11.2.3.3.
HR 21 maart 2008, BNB 2008/159, V-N 2008/16.5, NTFR 2008/614, r.o. 3.3.2, HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.11.4.
Zie paragraaf 10.4.2.1 hierna.
Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 21 november 2017, V-N 2018/11.4, r.o. 4.22, waaruit duidelijk wordt dat indirect bewijs dat in de sfeer van de heffing voldoende is, in de sfeer van de boete ontoereikend kan zijn.
Indirecte bewijsmiddelen hebben als kenmerk dat uit bepaalde vaststaande feiten andere feiten worden afgeleid die vervolgens strekken tot bewijs.1 Om deze reden is de verwantschap met het vermoeden nauw. De feiten en omstandigheden waaruit een vermoeden wordt afgeleid, zijn aan te merken als indirecte bewijsmiddelen. Dat vermoeden (de gevolgtrekking) staat vervolgens in direct verband met de te bewijzen feiten en vormt (althans in mijn opvatting) een zelfstandig bewijsmiddel.2
Net als voor vermoedens geldt voor alle andere gevolgtrekkingen uit indirecte bewijsmiddelen dat alternatieve scenario’s mogelijk zijn. In de sfeer van de beboeting geldt voor indirect bewijs daarom naar mijn smaak hetzelfde als voor het gebruik van feitelijke vermoedens als bewijsmiddel.3 De onschuldpresumptie brengt mee dat elke twijfel in het voordeel van de boeteling moet werken. Vanwege de inherente twijfel die kleeft aan het karakter, zullen indirecte bewijsmiddelen geïsoleerd beschouwd niet snel tot voldoende overtuigend bewijs van de centrale stellingen leiden (‘beyond reasonable doubt’). Dat kan anders zijn als er veel indirecte bewijsmiddelen, of naast indirecte ook directe bewijsmiddelen zijn. Gelet op de vrije bewijsleer die ook in de boetesfeer geldt, kan een bewezenverklaring echter wel degelijk worden gegrond op louter indirect bewijs.4
Uit de in paragraaf 11.2.3 te behandelen jurisprudentie inzake het nemo tenetur-beginsel volgt, dat het EHRM nadrukkelijk kijkt naar de rol die het bewijsmiddel heeft gehad in de bewijsconstructie. In het bijzonder in de arresten Saunders en Jalloh bracht het EHRM een onderscheid aan tussen Saunders-materiaal (indirect bewijs) en real evidence (direct bewijs). Daarbij lijkt van belang te zijn geweest dat de bewijskracht van indirect bewijs doorgaans relatief gering is en niet snel doorslaggevend zal zijn, maar veeleer steunbewijs zal vormen.5 Ook de Hoge Raad heeft dit onderscheid onderkend.6 Mogelijk verklaart dat de tamelijk soepele opstelling in de KBLux-zaken, waar in feite slechts één enkel direct bewijsmiddel, in combinatie met een algemene ervaringsregel en feiten van algemene bekendheid, voldoende is gebleken voor het bewijs van de centrale stellingen.7 In zaken waarin in het geheel geen directe bewijsmiddelen voorhanden zijn, zal het naar mijn mening in de boetesfeer echter vrijwel onmogelijk zijn om voldoende overtuigend bewijs te leveren.8