Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/2.11:2.11 Samenvatting en conclusies
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/2.11
2.11 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491715:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is de rechtsfiguur van de splitsing in het Nederlandse civiele recht behandeld. Daarbij is gefocust op zaken die relevant zijn voor dit onderzoek. De belangrijkste bevindingen kunnen als volgt concluderend worden samengevat:
De fiscale wet- en regelgeving bevat geen definitie van een splitsing. Voor het antwoord op de vraag of een belastingplichtige in een concrete situatie onderworpen is aan de splitsingsregels in de Wet IB 2001 en/of Wet VPB 1969 moet het toepasselijke civiele recht worden geraadpleegd.
Het Nederlandse civiele recht kent twee grondvormen van splitsing. Dit zijn de zuivere splitsing en de afsplitsing. Tussen beide basisvormen bestaan overeenkomsten, maar ook verschillen.
Als gevolg van een splitsing gaat (een deel van) het vermogen van de splitsende rechtspersoon civielrechtelijk onder algemene titel over naar de verkrijger(s). De precieze reikwijdte van deze vermogensovergang onder algemene titel is niet duidelijk.
Bij een splitsing geldt als hoofdregel dat de aandeelhouders of leden van de splitsende rechtspersoon aandeelhouder of lid worden van alle verkrijgende rechtspersonen.
De civiele splitsingsregels bevatten diverse maatregelen ter bescherming van schuldeisers. Houders van een bijzonder recht tegenover de splitser ontvangen een vergelijkbaar recht in de verkrijger(s) of een schadeloosstelling.
De zuivere splitsing en de afsplitsing kennen veel varianten. Van sommige in de literatuur beschreven splitsingsvormen is niet duidelijk of kan worden gesproken van een rechtsgeldige splitsing in civielrechtelijke zin. De (on)mogelijkheid van deze splitsingsvarianten werkt door naar de splitsingsregels in de vennootschapsbelasting die in dit onderzoek centraal staan.
Op 27 november 2019 is een richtlijn vastgesteld waarin onder meer regels zijn opgenomen voor grensoverschrijdende splitsingen binnen de EU. Nederland dient deze regels uiterlijk op 31 januari 2023 te hebben geïmplementeerd.
Het is mogelijk dat het Nederlandse civiele recht een bepaalde voorgenomen grensoverschrijdende splitsing (GOS) niet toestaat. De vraag die dan opkomt, is of zo’n splitsing tot stand kan worden gebracht op basis van het primaire EU-recht, meer concreet de vrijheid van vestiging.
Nederland lijkt op grond van het primaire EU-recht in de basis verplicht een inbound GOS naar het recht van een andere EU-lidstaat of een EER-land te erkennen, mits die splitsing naar dat buitenlandse civiele recht is toegestaan én Nederland de splitsingsvorm in een puur binnenlandse situatie toestaat.
Het is onduidelijk of Nederland op grond van het primaire EU-recht onder omstandigheden ook gedwongen is om een outbound GOS toe te staan waarbij de splitser wordt beheerst door Nederlands recht, terwijl minimaal één verkrijger wordt beheerst door het recht van een andere EU-lidstaat of een EER-land. Op dit punt moet jurisprudentie van het Hof van Justitie worden afgewacht.