Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/2.6:2.6 Partijen bij een splitsing
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/2.6
2.6 Partijen bij een splitsing
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491602:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Een splitsing is daarmee doorgaans een meerzijdige rechtshandeling, tenzij sprake is van uitsluitend nieuw opgerichte verkrijgende rechtspersonen.
De driehoekssplitsing staat centraal in onderdeel 2.8.2, onder j en onderdeel 2.8.3, onder j.
Zie ter illustratie art. 2:334f, 2:334g, 2:334h, 2:334i, 2:334j, 2:334k, 2:334l, 2:334r, 2:334aa en art. 2:334cc BW.
Zie Kamerstukken II 1995/96, 24 702, nr. 3, p. 6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Volgens art. 2:334a, lid 4, BW zijn de splitsende rechtspersoon en elke verkrijgende rechtspersoon partij bij de splitsing, met uitzondering van de bij de splitsing opgerichte verkrijger(s).1 In het geval van een zogenoemde driehoekssplitsing ex art. 2:334ii BW is – naast de verkrijgende rechtspersoon – ook de groepsmaatschappij die de aandelen toekent partij bij de splitsing.2
Het zijn van partij bij een splitsing schept verplichtingen en kan relevant zijn voor de toepassing van diverse splitsingsbepalingen.3 Op grond van art. 2:334b, lid 5, BW mag een ontbonden rechtspersoon niet partij zijn bij een splitsing als uit hoofde van de vereffening al een uitkering is gedaan. Daarnaast geldt op grond van art. 2:334b, lid 6, BW als hoofdregel dat een rechtspersoon gedurende faillissement of surséance van betaling geen partij mag zijn bij een splitsing. Op grond van art. 2:334b, lid 7, BW geldt een uitzondering voor de splitsende rechtspersoon: deze mag in faillissement of surséance van betaling zijn, mits (i) alle verkrijgende rechtspersonen bij de splitsing opgerichte NV’s of BV’s zijn en (ii) de splitsende rechtspersoon daarvan bij de splitsing enig aandeelhouder wordt. Deze uitzondering is begrijpelijk nu de schuldeisers van de splitsende rechtspersoon bij zo’n splitsing niet worden benadeeld. Bij de splitsende rechtspersoon staat tegenover het ‘verlies’ van het vermogen dat overgaat naar de verkrijgende rechtspersonen immers een ‘aanwas’ in de vorm van de aandelen die worden verkregen.4