Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/7.3.8
7.3.8 Niet langer aanwezig zijn aanmerkelijk belang
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS458992:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 18 en 21.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 49.
Zie tevens de nota naar aanleiding van het verslag Eerste Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 62d, blz. 1-2.
Ten overvloede merk ik op dat dit niet geldt voor een zgn. niet-tijdelijk genotsrecht, aangezien de niet-tijdelijk genotsgerechtigde op grond van art. 20a, negende lid, onderdeel d. Wet IB wel als aandeelhouder wordt aangemerkt en diens gerechtigdheid als een aandeel (zie hoofdstuk 5, onderdeel 5.2.1).
Ik roep in herinnering dat de tijdelijk genotsgerechtigde (ex-volle eigenaar) niet als aandeelhouder in de zin van de aanmerkelijkbelangregeling kan worden aangemerkt (zie hoofdstuk 5 onderdeel 5.2.1), zodat de dividenduitkeringen voortaan in de belastingheffing worden betrokken volgens de bron 'inkomsten uit vermogen' en niet langer volgens de bron 'winst uit aanmerkelijk belang'.
Hiervoor is in hoofdstuk 4, onderdeel 4.6 reeds aandacht besteed aan de situatie waarin de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen niet langer behoren tot een aanmerkelijk belang. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen in de volgende situaties:
• de belastingplichtige vervreemdt een zodanig aantal aandelen, koopopties op aandelen, of niet-tijdelijke winstbewijzen dat de resterende aandelen, winstbewijzen, schuldvorderingen of koopopties niet langer voldoen aan het kwantitatieve aanmerkelijkbelangcriterium van ten minste 5%;
• de vennootschap emitteert een zodanig aantal aandelen aan andere aandeelhouders dan de belastingplichtige dat het belang van de belastingplichtige tot onder de aanmerkelijkbelanggrens van 5% van het geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap afneemt;
• een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige vervreemdt een zodanig aantal aandelen, koopopties op aandelen, of niet-tijdelijke winstbewijzen dat deze niet langer voldoet aan het kwantitatieve aanmerkelijkbelangcriterium van 5%. Hierdoor houdt tevens de belastingplichtige op aanmerkelijkbelanghouder te zijn (art. 20a, vijfde lid, Wet IB).
Ingevolge art. 20a, zesde lid, onderdeel h, Wet IB worden de aanmerkelijkbelangaandelen, -winstbewijzen of -schuldvorderingen dan geacht te zijn vervreemd, zodat belastingheffing plaatsvindt over de op dat moment aanwezige potentiële aanmerkelijkbelangwinst; onduidelijk is of een eventueel aanmerkelijkbelangverlies vanwege art. 20c, zesde lid, Wet IB in aanmerking kan worden genomen (zie uitgebreider hoofdstuk 10, onderdeel 10.3). Hierbij wordt op de voet van art. 20c, vierde lid, eerste volzin, Wet IB voor de bepaling van de overdrachtsprijs uitgegaan van de waarde in het economische verkeer van de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen op het moment waarop niet langer sprake is van een aanmerkelijk belang (zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.5). Onder het tot 1 januari 1997 geldende aanmerkelijkbelangregime ontstond in een dergelijke situatie nog een zgn. aflopend aanmerkelijk belang dat na ommekomst van een periode van vijf jaren niet meer leidde tot winst uit aanmerkelijk belang. Verdamping van de aanmerkelijkbelangclaim doet zich onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling aldus niet langer voor.
Aangezien het niet langer voldoen aan de aanmerkelijkbelangkwalificatie veelal niet gepaard gaat met de ontvangst van financiële middelen, stuit de daadwerkelijke afrekening van de aanmerkelijkbelangclaim op liquiditeitsproblemen.1 Daarom wordt het vervreemdingsvoordeel op grond van art. 20e, eerste lid, Wet IB op verzoek niet in aanmerking genomen.2 Wel worden de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen voor zover het de vervreemdingsvoordelen betreft geacht tot een aanmerkelijk belang te behoren, een zgn. fictief aanmerkelijk belang (art. 20e, tweede lid, eerste volzin, Wet IB). Het bedrag dat aldus op grond van art. 20e, eerste lid, Wet IB buiten aanmerking blijft, wordt bij voor bezwaar vatbare beschikking door de inspecteur vastgesteld (art. 20e, derde lid, Wet IB). Bij latere vervreemding van deze fictieve aanmerkelijkbelangaandelen wordt geen hoger bedrag als vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen dan dit door de inspecteur bij beschikking vastgestelde bedrag (art. 20e, tweede lid, tweede volzin, Wet 1B). Bedraagt de latere aanmerkelijkbelangwinst minder dan de bij beschikking vastgestelde aanmerkelijkbelangwinst, dan wordt deze lagere aanmerkelijkbelangwinst in de belastingheffing betrokken. Een zgn. fictief aanmerkelijk belang kan blijkens HR 21 juni 1978, BNB 1978/207 niet leiden tot een verlies uit aanmerkelijk belang (zie uitgebreider hoofdstuk 9).3
Een bijzondere toepassing van art. 20a, zesde lid, onderdeel h, Wet IB doet zich voor als een aanmerkelijkbelanghouder de blote eigendom van de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen overdraagt en zelf een genotsrecht voorbehoudt. Kwalificeert het genotsrecht als een zgn. tijdelijke gerechtigdheid als bedoeld in art. 25, vijftiende lid, onderdeel b, Wet IB, dan worden de inkomsten die krachtens het tijdelijke genotsrecht worden genoten, voortaan belast volgens de bron 'inkomsten uit vermogen'. Een tijdelijk genotsgerechtigde is immers niet gelijkgesteld met een aandeelhouder (zie hoofdstuk 5, onderdeel 5.2.1) en ook overigens valt een tijdelijk genotsrecht niet onder de meetrek- en afgeleid aanmerkelijkbelangregeling van art. 20a, vierde en vijfde lid, Wet IB (zie hoofdstuk 5, onderdelen 5.3 en 5.4).4 Dit betekent dat tevens het genots-rechtgedeelte van de aanmerkelijkbelangwinst moet worden afgerekend als enkel de blote eigendom van de aanmerkelijkbelangaandelen, -winstbewijzen en -schuldvorderingen wordt overgedragen. Hierop kan de doorschuifregeling van art. 20e, tweede lid, Wet IB niet worden toegepast. In zijn Besluit van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vraag C.8) keurt de staatssecretaris van Financiën echter goed dat in zodanig geval de waarde van het tijdelijke genotsrecht op grond van een redelijke wetstoepassing als aftrekbare kosten ter zake van de inkomsten uit het tijdelijke genotsrecht kan worden aangemerkt.5 De waarde van het tijdelijke genotsrecht is dan gemaximeerd en getemporiseerd ex art. 36, negende lid, onderdeel a, Wet IB en art. 38, derde lid, Wet IB aftrekbaar van de krachtens het tijdelijke genotsrecht genoten inkomsten.