Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/5.2.3.2
5.2.3.2 Inconsistentie
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715450:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Altena 2019, p. 15.
Altena 2019, p. 12; Nan 2011, p. 158; Borgers 2008, p. 198. Zie ook: Hol & Gribnau 1999, p. 176; De Hullu 1993, p. 14; Ashworth 1991, p. 440; ’t Hart 1978, p. 223; Fuller 1969, p. 39 en 41. Zie ook: Kamerstukken II 1990/91, 22008, nr. 2 (Beleidsplan Zicht op wetgeving), p. 23.
Vgl. Haentjens 1984, p. 35.
Ten Voorde 2012b, p. 65. Zie ook: Kesteloo 2015a, p. 246. De Jong heeft gevaarzettingsdelicten met vergelijkbare terminologie ook wel als ‘voorposten’ van het achterliggende krenkingsdelict bestempeld (De Jong 1989b, p. 175).
Kamerstukken II 1990/91, 22268, A, p. 10 en 11. Een dergelijke doorlichting zou volgens hem – zo valt tussen de regels door te lezen – meer op zijn plaats zijn bij een grondigere herziening van het Wetboek van Strafrecht.
Machielse 2016, par. 8; Hazewinkel-Suringa/Remmelink 1996, p. 410; Strijards 1995, p. 149; Buiting 1965, p. 160-161. Buiting meent bijvoorbeeld ook dat misdrijven met het bestanddeel ‘trachten’ niet kunnen worden gepoogd, omdat ‘pogen’ en ‘trachten’ synoniemen zijn (Buiting 1965, p. 161). Overigens meent Ten Voorde in vergelijkbare zin dat de combinatie van poging en training voor terrorisme moeilijk denkbaar is (Ten Voorde 2017, par. 9).
HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1736, r.o. 3.3 t/m 3.5.
Keijzer 1982, p. 46-47.
Kamerstukken II 2003/04, 28463, nr. 10, p. 19; Kamerstukken I 2003/04, 28463, C, p. 10. De minister merkt overigens ook op dat poging tot samenspanning naar de letter van de wet ook strafbaar is, maar meent dat dat in de praktijk lastig voorstelbaar is.
Kwakman 2013, p. 66-70.
Op indiensttreding bij de vijand (artikel 101 Sr) staat maximaal 15 jaar gevangenisstraf en op het aanbieden van hulp (artikel 97 lid 1 Sr) staat maximaal 30 jaar of levenslang.
Smidt 1891b, p. 19. De minister reageerde afwijzend op het advies om het strafmaximum van artikel 97 Sr te verhogen tot boven het strafmaximum op artikel 101 Sr, omdat het “onmogelijk [ware] om ‘toezegging van hulp’ […] zwaarder te straffen dan de hulp zelve”.
Altena 2019, p. 12; Ashworth & Zedner 2014, p. 114; Nan 2011, p. 158; Borgers 2008, p. 198. Zie ook: Hol & Gribnau 1999, p. 176; De Hullu 1993, p. 14; Ashworth 1991, p. 440; ’t Hart 1978, p. 223; Fuller 1969, p. 39 en 41. Zie ook: Kamerstukken II 1990/91, 22008, nr. 2 (Beleidsplan Zicht op wetgeving), p. 23.
Groenhuijsen 1987, p. 15.
Scheltema 1989, p. 17.
Vgl. Hol & Gribnau 1999, p. 180-181.
De verhouding tussen al deze vormen van strafbaarstelling van voorfasehandelingen is niet alleen complex, maar vaak ook inconsistent. Inconsistenties kunnen zich bijvoorbeeld voordoen als hogere en/of latere regels anders luiden dan lagere en/of oudere regels.1 Een zekere mate van samenhang, consistentie en coherentie is van belang in het kader van het lex certa-beginsel, nu dat kan helpen wetgeving overzichtelijk en begrijpelijk te houden.2 Daarnaast rijst vanuit liberaal oogpunt het gevaar dat naar mate meer gedragingen in de vroege voorfase strafbaar worden gesteld, het minder inconsistent wordt om strafbaarheid in de voorfase nog verder uit te breiden.3 Inconsistentie kan zo leiden tot een uitbreiding van de reikwijdte van het strafrecht in de voorfase. Die ontwikkeling is in de literatuur gesignaleerd en wordt ook wel de kolonisatie van de voorfase genoemd.4 Vanuit liberaal oogpunt mag inconsistentie als zodanig nooit een argument zijn om de reikwijdte van het strafrecht in de voorfase uit te breiden. Inconsistenties kunnen immers evengoed worden verholpen door die reikwijdte juist in te perken en dat verdient vanuit liberaal oogpunt in beginsel de voorkeur.
De minister heeft bij de invoering van de algemene strafbaarstelling van voorbereiding geen systematische doorlichting van alle losse voorbereidingsbepalingen willen ondernemen, nu dat het wetsontwerp volgens hem te zwaar zou belasten.5 Die keuze begint zich langzaamaan te wreken. Binnen het veelvoud aan zelfstandig strafbaar gestelde voorfasehandelingen dat naast de algemene leerstukken bestaat en als gevolg van de onduidelijkheid over de verhouding tussen die twee, is samenhang en consistentie in de voorfase regelmatig ver te zoeken. Poging tot aanslag (artikel 79 Sr) zou volgens veel auteurs bijvoorbeeld niet strafbaar zijn, omdat de aanslag (als vorm van poging) als het ware de poging absorbeert.6 Hoewel bij poging tot grooming een vergelijkbare redenering kan worden opgezet, heeft de Hoge Raad dat juist wel strafbaar geacht.7 Keijzer betoogt zeer stellig dat, hoewel poging tot samenspanning op grond van de wetsgeschiedenis en literatuur niet strafbaar is, poging tot uitlokking (artikel 46a Sr) van samenspanning wél strafbaar zou zijn.8 Ook de minister lijkt te menen dat dat het geval is.9 Ook de verhouding tussen poging en voorbereiding blijft op basis van de wettekst onduidelijk: anders dan §2 van hoofdstuk 23 van de Zweedse Brottsbalken maakt artikel 46 Sr niet expliciet duidelijk of de strafbaarheid voor voorbereiding vervalt als de dader de pogingsfase bereikt. Daarnaast bestaan de nodige inconsistenties tussen het strafmaximum waarmee de algemene voorfaseleerstukken wordt bedreigd en het strafmaximum dat staat op diverse zelfstandige strafbaarstellingen van voorfasehandelingen.10 Ook de strafmaxima die staan op verschillende zelfstandig strafbaar gestelde voorfasehandelingen zijn soms inconsistent. Zo wordt als gevolg van een wetswijziging in 1952 het toezeggen van hulp aan een buitenlandse vijandelijke mogendheid (artikel 97 lid 1 Sr) zwaarder bestraft dan het daadwerkelijk in krijgsdienst treden bij diezelfde mogendheid (artikel 101 Sr).11 Dat is in het bijzonder ongelukkig nu de minister in 1886 reeds voor deze potentiële paradoxale situatie waarschuwde.12 Tot slot kan ook de reikwijdte van de terugtredbepaling tot op zekere hoogte als inconsistent worden beschouwd. Vanuit liberaal perspectief rijst immers de vraag waarom vrijwillige terugtred alleen mogelijk is bij voorbereiding in de zin van artikel 46 Sr en niet bij zelfstandig strafbaar gestelde voorbereidingshandelingen, nu beide gedragingen materieel gezien doorgaans zeer vergelijkbaar zijn.
Gelet op het belang dat vanuit het liberalisme aan individuele vrijheid wordt gehecht, is tot slot goed te begrijpen dat duidelijkheid en rechtszekerheid ook een zekere mate van continuïteit en stabiliteit vereisen.13 Het recht wordt voor de individuele burger immers niet alleen minder overzichtelijk door de groeiende hoeveelheid strafbepalingen, maar ook door de snelheid waarmee die bepalingen worden veranderd.14 Ook dat kan afbreuk doen aan de rechtszekerheid en gevaar voor misbruik en willekeur met zich brengen, nu overheden hun eigen regels doorgaans beter kennen en deze ook beter naar hun hand kunnen zetten.15 Als rechtsgoederen bovendien, zoals in de liberale visie, min of meer universeel vaststaan, is op het eerste gezicht ook onduidelijk waarom de strafwetgeving die deze rechtsgoederen beschermt voortdurend zou moeten worden aangepast.16