Einde inhoudsopgave
Het pre-insolventieakkoord 2016/2.4
2.4 Het probleem van de anticommons
N.W.A. Tollenaar, datum 16-10-2016
- Datum
16-10-2016
- Auteur
N.W.A. Tollenaar
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
Zie over het probleem van de anticommons o.a. J.M. Buchanan and Y.J. Yoon, Symmetric Tragedies: Commons and Anticommons, Journal of Law and Economics, Vol. 43, No. 1, 2000, p. 1-13; M.A. Heller, The Tragedy of the Anticommons: Property in the transition from Marx to Markets, Harvard Law Review, 1998/111; D.G. Baird and R.K. Rasmussen, Antibankruptcy, Yale Law Journal, 2010/648; R.J. de Weijs, Harmonisation of European Insolvency Law and the need to tackle two problems: common pool & anticommons, International Insolvency Review 2012, nr. 2, p. 67-83; L.A. Fenell, Commons, Anticommons, Semicommons, in K. Ayotte and H.E. Smith (eds), Research Handbook on the Economics of Property Law, Cheltenham: Edward Elgar Publishing 2011. Zie ook J. Hummelen, Distress Dynamics, an efficiency assessment of Dutch bankruptcy law, diss. Groningen, Eleven International Publishing, 2015, p. 27 e.v.
L.A. Fenell, Commons, Anticommons, Semicommons, in K. Ayotte and H.E. Smith (eds), Research Handbook on the Economics of Property Law, Cheltenham: Edward Elgar Publishing 2011, p. 42.
Dit wordt als mogelijke verklaring genoemd voor de mislukking van het akkoordvoorstel van Getronics in 2003; zie W.D. Boer, Een alternatief voor sanering van obligatieleningen uitgegeven onder trustverband, Ondernemingsrecht 2003, nr. 3 en N.W.A. Tollenaar, Debt for equity swaps, in: N.E.D. Faber (red.), De Bewindvoerder een Octopus, Serie Onderneming en Recht, deel 44, Kluwer, 2008, p. 63-64. Een fraaie illustratie van de hold-out dynamiek levert ook de V&D casus waarbij V&D aan haar verhuurders om een huurverlaging verzocht. Zie hierover A.M. Mennens en F.E.J. Beekhoven van den Boezem, Wijziging van toekomstige verplichtingen middels een dwangakkoord buiten insolventie: toekomstmuziek?, TvI 2015/32.
Het common pool probleem betreft de situatie waarbij waardebestanddelen waarop meerdere partijen tegelijk aanspraak maken suboptimaal worden benut doordat de gerechtigde partijen hun individuele rechten op de waardebestanddelen excessief uitoefenen.
Het probleem doet zich in spiegelbeeldige vorm voor indien iedere partij die een aanspraak heeft op de gezamenlijke waardecomponent, het recht heeft om aan de andere partijen het gebruik of het nut van die waardecomponent te ontzeggen. De suboptimale benutting van de waardecomponent wordt dan niet veroorzaakt door een excessieve uitoefening van het individuele recht om de waarde te benutten, maar door een excessieve uitoefening van het individuele recht om anderen van benutting uit te sluiten. Dit wordt aangeduid als het probleem van de anticommons (“tragedy of the anticommons”). Waar het common pool probleem leidt tot overbenutting, leidt het anticommon probleem tot onderbenutting van de gezamenlijke waarde.1
Het probleem van de anticommons kan zich voordoen bij de totstandbrenging van een collectieve overeenkomst (een onderhands akkoord) tussen meerdere partijen waarbij instemming van iedere partij op basis van unanimiteit is vereist.2 Ook hier kan een prisoner’s dilemma optreden. Iedere partij kan door uitoefening van haar vetorecht de totstandkoming van het akkoord verhinderen. Indien iedereen instemt, leidt dat tot de oplossing die in het belang is van de crediteuren als geheel. Stemt één of stemmen enkele crediteuren echter niet in, dan geeft dat hen een “hold-out” positie: zij kunnen voor hun instemming verhoudingsgewijsméér proberen te bedingen. Dit meerdere gaat ten koste van de crediteuren die wel hebben ingestemd, want die ontvangen daardoor minder dan het deel waarop zij rechtens aanspraak hebben. Iedere crediteur heeft een prikkel om zijn stemming te onthouden. Hij kan daarmee voorkomen dat hij in een positie komt te verkeren waarin hij minder dan het zijne ontvangt. Ook kan hij daarmee zelf een hold-out positie innemen.3 Dit kan ertoe leiden dat het akkoord uiteindelijk niet tot stand komt. Door de excessieve uitoefening van het recht om anderen van de “benutting” van de waarde van het akkoord uit te sluiten, komt het akkoord uiteindelijk niet tot stand en blijft de potentiële waarde ervan voor de crediteuren als geheel onbenut. Alle partijen zijn dan slechter af. Een wettelijk mechanisme waarbij een meerderheid een minderheid kan binden (en de rechter een akkoord aan tegenstemmende klassen kan opleggen), ontneemt aan individuele crediteuren (of een klasse van crediteuren) de mogelijkheid een hold-out positie te verwerven door tegen te stemmen. Het akkoord kan dan immers ook zonder hun instemming tot stand komen. Dit ontneemt aan individuele crediteuren de prikkel om op oneigenlijke gronden tegen te stemmen. Het mechanisme kan op deze wijze het prisoner’s dilemma verhelpen.