Einde inhoudsopgave
Vijandige overnames (IVOR nr. 79) 2010/2.3.2
2.3.2 Beschermingsmaatregelen
mr. M.J. van Ginneken, datum 23-11-2010
- Datum
23-11-2010
- Auteur
mr. M.J. van Ginneken
- JCDI
JCDI:ADS618874:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/MaeijerNan Solinge & Nieuwe Weme (2009), p. 795-797. Zie ook Asser/Maeijer (2000), p. 564 en p. 589. Andere motieven kunnen zijn het zorgen voor het behoud van de kwaliteit van het bestuur en toezicht of het consolideren van bestaande belangenposities, bijvoorbeeld van de familie bij familievennootschappen die naar de beurs gaan. Zie Asser/ MaeijerNan Solinge & Nieuwe Weme (2009), p. 796-797.
Zie Asser/Maeijer (2000), p. 564 en p. 586-587 en Van Schilfgaarde/Winter (2009), p. 223. Asser/MaeijerNan Solinge & Nieuwe Weme (2009), p. 796 waar wordt gesproken over bescherming tegen een onvriendelijke overname.
Andere termen zijn o.a. beschermingsmaatregelen, beschermingsmiddelen. In het Engels spreekt men van anti-takeover measures of defensive measures. Ik gebruik hier de termen door elkaar. De term oligarchische regelingen gebruik ik niet. Zie voor literatuur over beschemingsconstructies bij beursvennootschappen o.a. Asser/MaeijerNan Solinge & Nieuwe Weme (2009), p. 795 en Van Schilfgaarde/Winter (2009), p. 223-226.
Zie Asser/Maeijer (2000), p. 316-317, Van Schilfgaarde/Winter (2009), p. 223 en De Kluiver (1996a), p. 16-22, die spreekt over 'overvallers', 'sluipers' en 'paldcetverwervers'.
Asser/MaeijerNan Solinge & Nieuwe Weme (2009), p. 793-794. Zie ook Asser/Maeijer (2000), p. 586 en 589.
Zie voor een overzicht van beschermingsmaatregelen o.a. Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme (2009), p. 806-813 en Van Schilfgaarde/Winter (2009), p. 223-226, Van Olffen (2000), p. 2-8 en Voogd (1989).
In 1998 hadden nog 34.6% van de AEX-vennootschappen en 19% van de AMX vennootschappen prioriteitsaandelen (zie Monitoring Committee Corporate Govemance (1998), p. 31-32). In juni 2009 had volgens Eumedion 9.5% van de AEX-vennootschappen en 30.4% van de AMX vennootschappen prioriteitsaandelen. Zie Eumedion (2009), p. 6.
Zie over bindende voordrachten en prioriteitsaandelen Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme (2009), p. 529-532 en p. 820-822.
Art. 2:132 lid 1 BW voor bestuurders en art. 2:142 lid 1 BW voor commissarissen. Zie art. 2:120 lid 1 BW voor de vereiste meerderheid.
Zie Best practice bepaling II.1.1 Code (2008). Hier kan uiteraard, conform het comply or explain principe, van worden afgeweken.
De rvc dient een profielschets van de rvc te hebben en stelt een rooster van aftreden vast, zie best practice bepaling 111.3.1 en 111.3.6 Code (2008). De wet zwijgt over het aantal bestuurders en commissarissen dat een vennootschap moet hebben of hoe dit aantal moet worden vastgesteld. Vaak wijzen de statuten een bepaald orgaan aan om het aantal bestuurders en commissarissen vast te stellen. Meestal is dit de rvc. Zie Santen & Kloosterman (2007), p. 50. Als er geen orgaan is aangewezen, is de ava bevoegd op grond van art. 2:107 lid 1 BW. De statuten kunnen een maximum en een minimum aantal bestuurders en commissarissen vaststellen.
Art. 2:133 lid 1 BW voor bestuurders en art. 2:142 lid 2 jo. 2:133 lid 1 BW voor commissarissen.
Art. 2:133 lid 1 BW. Dit gaat wellicht binnenkort veranderen. Naar aanleiding van aanbeveling nr. 9 van de Commissie Tabaksblat (zie Code (2003), p. 65) bevat het Wetsvoorstel bestuur en toezicht een bepaling waarin expliciet wordt opgenomen dat een bindende voordracht kan bestaan uit één naam. Zie Wijziging van boek 2 Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen, Kamerstukken II 2008/2009, 31763, nr. 2. Zie voor een vergelijkbaar voorstel ook al het Wetsvoorstel Flexibilisering BV-recht, Kamerstukken II 2006/2007, 31058, nr. 2. Zie hierover ook Nowak & Van den Ingh (2007), p. 132.
Art. 2:133 lid 2 BW.
Zie voor een overzicht Asser/MaeijerNan Solinge & Nieuwe Weme (2009), p. 821.
Art. 2:134 lid 1 BW voor bestuurders en art. 2:144 lid 1 BW voor commissarissen.
Deze mogelijkheid is wel enigszins ingeperkt. Art. 2:132 lid 2 BW bepaalt dat indien in de statuten is bepaald dat het besluit tot schorsing of ontslag slechts mag worden genomen met een versterkte meerderheid in een ava, waarin een bepaald gedeelte van het kapitaal is vertegenwoordigd, deze versterkte meerderheid twee derden van de uitgebrachte stemmen, vertegenwoordigende meer dan de helft van het kapitaal niet te boven mag gaan.
Art. 2:134 lid 2 BW.
Art. 2:147 lid 1 BW. Dit tenzij de statuten anders bepalen. Tenzij de bevoegdheid tot benoeming van bestuurders bij de rvc ligt, kan een schorsing door de rvc te allen tijde door de ava worden opgeheven, zie art. 2:147 lid 2 BW.
In juni 2009 had volgens Eumedion 61.9% van de AEX-vennootschappen en 56.5% van de AMX-vennootschappen beschermingsprefs. Zie Eumedion (2009), p. 6. In 1998 hadden nog 61.5% van de AEX-vennootschappen en 71.4% van de AMX-vennootschappen beschermingsprefs. Zie Monitoring Committee Corporate Govemance (1998), p.31-32.
Zie over preferente aandelen o.a. Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme (2009), p. 815-820 en Van Schilfgaarde/Winter (2009), p. 113-116, Dortmond (2008b), Van Olffen (2000), p. 53-56, De Kluiver (1996a), p. 22-25 en p. 42-45 en Honée (1998b).
Het toekennen van deze optie moet voldoen aan dezelfde eisen als voor het uitgeven van de aandelen. Voor de daadwerkelijke uitgifte is dan geen besluit van de ava meer nodig. Zie art. 2:96 lid 1 en 5 BW.
Zie art. 2:118 BW. Hierbij moet worden opgemerkt dat de marktwaarde van beursgenoteerde aandelen vaak vele magen hoger is dan hun nominale waarde.
Zie art. 2:96a lid 2 en 3 BW. Zie Asser/MaeijerNan Solinge & Nieuwe Weme (2009), p. 295-296.
Zie art. 2:96 lid 5 BW. Zie Asser/MaeijerNan Solinge & Nieuwe Weme (2009), p. 292-293 en de daar aangehaalde literatuur. Schwarz is het hiermee niet eens zie Schwarz (1999), p. 439-440. Zijn standpunt wordt mijns inziens overtuigend weersproken door De Kluiver (2000b), p. 23-25 en Dortmond (2000a), p. 161.
Dit wordt in de ASMI-zaak betwist. Zie over ASMI hierna § 2.4.2 onder D.
Zie art. 2:80 lid 1 BW. In de praktijk zal de vennootschap de betaling van de overblijvende 75% niet opvragen.
Bijlage X bij het Fondsenreglement van Euronext Amsterdam (inmiddels afgeschaft) stelde wel enige eisen aan de onafhankelijkheid van het bestuur van een dergelijke stichting. Bijlage X stelde ook een beperking aan het aantal beschermingsmaatregelen mocht hebben en stelt bepaalde voorwaarden voor de uitgifte van preferente beschermingsaandelen. Zo moest de uitgevende vennootschap een ava te organiseren binnen vier weken na de uitgifte om de uitgifte toe te lichten en binnen twee jaar na uitgifte waarin een besluit wordt genomen of de preferente aandelen al dan niet worden ingekocht of ingetrokken. Inmiddels vloeit de onafhankelijkheid voort uit de vrijstelling van de biedplicht onder de verplicht bod regeling, zie art. 5:71 lid 1 sub c Wft. Zie hierover hierna § 5.3.4 onder D en voor enige opmerkingen over de onafhankelijkheid van een dergelijke stichting, mede naar aanleiding van de ASMI uitspraak van de OK, § 10.4.3 onder Bl.
Zie o.a. Asser-Maeijer, p. 313-319 en 589-590 en de daar aangehaalde jurisprudentie. Zie Steins Bisschop (2008), die vragen stelt bij de legitimiteit van deze constructie.
O.g.v. art. 2:118 lid 4 BW.
Zie over stemrechtbeperking o.a. Asser/MaeijerNan Solinge & Nieuwe Weme (2009), p. 447 en 807 en Van Schilfgaarde/Winter (2009), p. 225.
Zie over certificering Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme (2009), p. 834-858, Van Schilfgaarde/Winter (2009), p. 220-223 en de daar aangehaalde literatuur. Zie specifiek over certificering bij beursvennootschappen Steins Bisschop (1991), Dortmond (1996) en, in het licht van de Richtlijn, Van Olffen (2004b).
Bijlage X bij het Fondsenreglement van Euronext Amsterdam (inmiddels afgeschaft) stelde wel enige eisen aan het gebruik van certificering. Daarnaast stelde Bijlage X zoals hiervoor gesteld ook een beperking aan het aantal beschermingsmaatregelen dat een vennootschap mocht hebben.
Art. 2:118a lid 2 sub a BW.
Art. 2:118a lid 2 sub b en sub c BW.
Zie Principe 1V2 en best practice bepaling 1V2.8 Code (2008).
Zie Van der Elst, De Jong & Raaijmakers (2008), p. 56. In 1998 waren (een deel van) de aandelen van 30,8% van de AEX-vennootschappen en 52,4% van de AMX vennootschappen gecertificeerd . Zie Monitoring Committee Corporate Govemance (1998), p. 31-32. In juni 2009 had volgens Eumedion 14,3% van de AEX-vennootschappen en 8,7% van de AMX vennootschappen gecertificeerde aandelen. Zie Eumedion (2009), p. 6.
Wet van 6 mei 1971, Stbl. 1971, 289, inwerkingtreding 1 juli 1971. Zie hierover (uitgebreid) Asser/MaeijerNan Solinge & Nieuwe Weme (2009), p. 641-740, Van Schilfgaarde/Winter (2009), p. 414-441 en Pitlo/Raaijmakers (2006), p. 414-418.
Een vennootschap is een structuurvennootschap als het voldoet aan de in art. 2:153 lid 2 BW genoemde voorwaarden.
Art. 2:158 lid 1 BW.
Zie o.a. Rietkerk (1992), Boot (1995), Maatman (1998), Moerland (2001).
SER-advies (2001). Zie hierover o.a. Van Ginneken (2001b).
Zie voor de benoemingsprocedure art. 2:158 BW.
Zie Van Ginneken (2001a), p. 159.
Zie o.a. Van der Grinten (1990).
De invloed van het structuurregime wordt in de pers vaak sterk overdreven. De suggestie wordt nogal eens gewekt dat alle Nederlandse beursvennootschappen structuurvennootschappen zijn. Dit zou een belangrijke reden zijn voor de beroemde dutch discount. Het is nog maar de vraag in hoeverre de nieuwe structuurregeling nu internationaal nog afwijkt. Een vergelijking met de Amerikaanse praktijk is interessant. Dat systeem, met een board of directors bestaande uit voornamelijk non-executives die de officers, de executives, benoemen is behoorlijk vergelijkbaar met een rvc die bestuurders benoemt. En sinds de wijzigingen van 2004, worden ook commissarissen door aandeelhouders benoemd. Hiermee lijkt het nieuwe structuurregime mijns inziens erg op de Amerikaanse praktijk.
In de aanloop naar de wetswijziging in 2004 schaften veel vennootschappen die destijds het structuurregime vrijwillig toepasten dit regime af. Slechts een beperkt aantal vennootschappen handhaafde het structuurregime volledige dan wel in gemitigeerde vorm. Zie Eumedion (2009), p. 8. Er was altijd al de vrijstelling voor internationale topholdings, waardoor het gemitigeerde structuurregime van toepassing is op het niveau van de Nederlandse sub-holding, niet op het niveau van de beursgenoteerde topholding. Zie art. 2:153 lid 3 BW. Deze zogenoemde 'Nederland-constructie' is speciaal ingevoerd voor internationaal opererende Nederlandse beursvennootschappen voor wie toepassing van het volledige structuurregime bezwaarlijk zou zijn. Zie over de problemen die deze constructie in concernverhoudingen kan opleveren (onder de oude regeling) OK 13 maart 2003, NJ 2003, 248, JOR 2003/85 m.nt. Van den Ingh (Conus).
Zie hierover Honée (1990), p. 45. In Bijlage X was de eis opgenomen dat van het bestaan van Pandora constructies openbaar mededeling moet worden gedaan.
Honée (1990), p. 45-46.
Honée (1990), p. 48.
Zie hierover o.a. Honée (1990), Asser/Maeijer (2000), p. 596-597, Van der Heijden/Van der Grinten, p. 346. De indeling is afkomstig uit de inmiddels vervallen Bijlage X bij het Fondsenreglement.
Zie Conclusie AG Wesseling-van Gent bij RNA/Westfield, ov. 2.20. Als voorbeeld wordt gewezen op de door Kluwer gehanteerde constructie tot overdracht van de groep Rechtswetenschappen tijdens de overnamestrijd tegen Elsevier in 1987. Zie Van Schilfgaarde (2001), p. 189. Zie voor de beschrijving van een aantal varianten hiervan Honée (1990), p. 46-47 en Voogd (1989), p. 185-193.
De verkoop van LaSalle door ABN AMRO zou als een crown jewel defense kunnen worden aangemerkt. Zie hierover hierna § 2.4.2 onder C en § 10.4.3 onder B4. Hetzelfde zou kunnen worden gezegd van de baggerfusie tussen HBG en BAM teneinde een bod van Boskalis tegen te gaan. Zie HR 21 februari 2003, NJ 2003, 182 m.nt. Maeijer, JOR 2003/57 m.nt. Nieuwe Weme (HBG).
Zie Van Schilfgaarde (2001), p. 188-189, Conclusie AG Wesseling-van Gent bij RNA/ Wesijield, ov. 2.20.
Zie ook Honée (1990), p. 48.
Zie over de poison pull hierna § 3.3.2 onder A en Van Ginneken (2005). Zie ook Posch (2008).
Zie Van Schilfgaarde (2001), p. 189, Conclusie AG Wesseling-van Gent bij RNA/Wesijield, ov. 2.20.
Er zijn nog veel meer beschermingsmaatregelen. Zie o.a. Voogd (1989), p. 17 e.v. en Van Olffen (2000), p. 51 e.v. Ik noem hier nog de mogelijkheid van een zogenoemde Employee Stock Option Purchase Plan (ESOP), die in de Gucci-zaak werd gebruikt. Een ESOP heeft een zekere verwantschap met de uitgifte van preferente aandelen. Zie hierover Van Olffen (2000), p. 58-60.
Zie § 3.3.2 onder D5. Zie hierover ook § 10.4.3 onder B3 en Stevens (2008), p. 207 e.v.
Er zijn verschillende motieven voor het in het leven roepen van beschermingsmaatregelen.1 Naast het al genoemde motief, dat men de stabiliteit van de besluitvorming in de ava wil bevorderen (bescherming tegen aandeelhoudersabsenteïsme) is een belangrijk motief het beveiligen van de onderneming en van de direct of indirect bij haar betrokken belangen tegen ongewenst geachte invloeden van buitenaf. Het gaat hierbij met name om bescherming tegen een ongewenste overval.2 Bij beursvennootschappen spreekt men ook wel van beschermingsconstructies.3 Een overval kan plaatsvinden door een openbaar bod op de uitstaande aandelen of door het onderhands of stelselmatig ter beurze opkopen van aandelen, zonder overeenstemming of (serieus) overleg met het bestuur van de doelvennootschap.4 Beschermingsconstructies dienen ertoe het bestuur en de rvc 'in staat te stellen in een overvalsituatie het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, en alle daarbij betrokkenen, zorgvuldig tegen elkaar af te wegen'.5 De meest gangbare beschermingsconstructies zijn, naast de al genoemde prioriteitsaandelen, de uitgifte van preferente aandelen, stemrechtbeperking en de certificering van aandelen. Ook het structuurregime heeft een beschermend karakter. Ten slotte bestaat er een soort restcategorie, veelal aangeduid als Pandora-constructies.6
A. Prioriteitsaandelen; bindende voordrachten; ontslagbeperkingen
Het hebben van prioriteitsaandelen is in Nederland van oudsher een bekende beschermingsconstructie. De populariteit van prioriteitsaandelen neemt wel af.7 De werking van prioriteitsaandelen kwam al even aan de orde. Het gaat hierbij met name om de mogelijkheid van het doen van bindende voordrachten voor de benoeming van bestuurders en commissarissen.8 Bestuurders en commissarissen worden benoemd door de ava, in principe door een besluit genomen bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen.9 Bestuurders worden op grond van de Code in principe benoemd voor een vier jaarstermijn.10 Dit geldt ook voor commissarissen. Deze kunnen volgens de Code maximaal drie maal voor een periode van vier jaar zitting hebben in de rvc.11 De bevoegdheid van de ava om bestuurders en commissarissen te benoemen kan statutair worden ingeperkt door aan bepaalde organen of partijen het recht te verlenen om voor de benoeming van een of meer bestuurders een bindende voordracht te doen.12 Dit recht tot het doen van een bindende voordracht wordt bij beursvennootschappen in de regel verleend aan de houders van prioriteitsaandelen (doorgaans een onafhankelijke maar "bevriende" stichting) of de rvc. Bij een bindende voordracht wordt bepaald dat de benoeming door de ava geschiedt uit een voordracht, die ten minste twee personen voor iedere te vervullen plaats bevat.13 De ava kan de bindende voordracht doorbreken als zij daartoe besluit met een twee derde meerderheid van de stemmen, die meer dan de helft van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen.14 Hiervan kan statutair naar beneden worden afgeweken. In de praktijk gebeurt dit regelmatig, mede naar aanleiding van de invoering van de Code. Best practice bepaling IV.1.1 bepaalt dat een bindende voordracht moet kunnen worden doorbroken door een besluit dat is genomen met een volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen, welke meerderheid (ten hoogste) een derde van het geplaatst kapitaal vertegenwoordigt. Veel beursvennootschappen hebben hun statuten hieraan aangepast. In aanvulling op het recht om bindende voordrachten te doen, kunnen ook andere rechten worden toegekend zoals het goedkeuren van belangrijke besluiten, statutenwijzigingen en ontbinding.15
Naast de mogelijkheden voor benoeming van bestuurders en commissarissen is ook de regeling voor ontslag voor vijandige overnames van belang. De ava heeft, als het orgaan dat bevoegd is bestuurders en commissarissen te benoemen, ook de bevoegdheid bestuurders en commissarissen te allen tijde weer te schorsen of ontslaan.16 Ook dit besluit wordt in principe genomen bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen. De statuten kunnen bepalen dat voor schorsing of ontslag een versterkte meerderheid is vereist, al dan niet in combinatie met een quorumeis.17 Dit komt in de praktijk bij beursvennootschappen regelmatig voor.
Zo komt voor dat er voor besluiten tot ontslag van bestuurders of commissarissen, die niet plaatsvinden op voorstel van de rvc, een versterkte meerderheid is vereist. Besluiten op voorstel van de rvc kunnen dan wel worden genomen met een gewone meerderheid. Art. 2:134 lid 2 BW bepaalt dat indien in de statuten is opgenomen dat een besluit tot schorsing of ontslag slechts mag worden genomen met een versterkte meerderheid in een ava waarin een bepaald gedeelte van het kapitaal is vertegenwoordigd, deze versterkte meerderheid twee derden van de uitgebrachte stemmen, vertegenwoordigende meer dan de helft van het kapitaal niet te boven mag gaan.18 Bestuurders kunnen daarnaast ook door de rvc worden geschorst.19
B. Preferente aandelen
De uitgifte van preferente aandelen is in Nederland waarschijnlijk de meest voorkomende en in de praktijk meest in stelling gebrachte beschermingsmaatregel.20 Eerst betrof het vaak de uitgifte van gewone aandelen. Sinds de invoering van art. 2:96 en 2:96a BW als gevolg van de 2e EG Richtlijn, betreft het veelal de uitgifte van preferente aandelen aan een speciaal voor dit doel opgerichte stichting. Door middel van de beschermingsprefs wordt invloed uitgeoefend op de samenstelling van de ava en kan de besluitvorming in de ava worden beïnvloed.21 De gedachte achter deze maatregel is dat de (potentiële) stemmenmacht van een vijandige partij wordt verwaterd door de stichting tegen lage kosten veel stemrecht te geven. Kort gezegd werkt het als volgt. In het Nederlandse vennootschapsrecht is zowel het uitgeven van aandelen als het geven van rechten tot het verkrijgen van aandelen een bevoegdheid van de ava.22 Dit geldt ook als het gaat om preferente aandelen (aangenomen dat de statuten voorzien in het bestaan van preferente aandelen). Deze bevoegdheden kunnen door de ava aan het bestuur worden gedelegeerd. Op grond van een dergelijke delegatie (of een specifiek hiertoe strekkend besluit van de ava zelf) sluit het bestuur namens de vennootschap een overeenkomst met de stichting waarin aan de stichting een call-optie wordt verleend tot het nemen van preferente aandelen met een totale nominale waarde gelijk aan de nominale waarde van alle (of de helft van alle) uitstaande gewone aandelen.23 Bij een eventuele dreiging kan de stichting deze optie uitoefenen. Aangezien het stemrecht in Nederland is gekoppeld aan de nominale waarde van de aandelen,24 verkrijgt de stichting een stemmenmacht die gelijk is aan die van alle (of de helft van alle) uitstaande gewone aandelen. Onderdeel van de regeling is verder dat de statuten bepalen dat de preferente aandeelhouders met voorrang boven de gewone aandeelhouders recht hebben op een bepaalde vaste dividenduitkering. Als gevolg hiervan zijn er bij de uitgifte van de preferente aandelen geen voorkeursrechten voor de bestaande gewone aandeelhouders.25 Op deze manier wordt de stemmenmacht van de bestaande aandeelhouders met 50% verwaterd (als de nominale waarde van de uitgegeven preferente aandelen gelijk is aan de totale nominale waarde van de uitstaande gewone aandelen). De optieovereenkomst met de stichting kan voor lange tijd worden gesloten. De beperking van vijf jaar die geldt bij de delegatie van de uitgiftebevoegdheid is niet van toepassing op het toekennen van rechten tot het nemen van aandelen.26 Dit betekent dat als de ava eenmaal heeft ingestemd met de toekenning van de optie, de vennootschap deze constructie in principe voor een onbeperkte tijd in stand kan laten.27
De kosten van het nemen van de preferente aandelen kunnen relatief laag worden gehouden. Dit wordt bewerkstelligd door de aandelen uit te geven tegen de nominale waarde en te bepalen dat de stichting slechts 25% van de nominale waarde behoeft te storten. De uitgifteprijs moet ten minste de nominale waarde bedragen, maar het Nederlandse vennootschapsrecht staat toe dat vennootschappen de betaling van maximaal 75% van die waarde verschuiven naar een later tijdstip.28 Bovendien is de marktwaarde van beursgenoteerde aandelen vaak vele malen hoger dan hun nominale waarde. De constructie wordt vervolmaakt doordat de betaling van de aandelen wordt gefinancierd door een of meer banken waarmee de stichting een stand by credit facility heeft. Hierbij wordt overeengekomen dat het vaste dividend dat op de preferente aandelen wordt uitgekeerd gelijk is aan de rente die de stichting aan de bank(en) dient te betalen. Op deze wijze verkrijgt de stichting een grote stemmenmacht tegen relatief lage kosten en met relatief weinig risico. Er wordt vanuit gegaan dat het bestuur van de stichting in principe welwillend zal staan tegenover de leiding van de uitgevende vennootschap.29 Bovendien kunnen de uitgegeven aandelen niet zonder toestemming van de vennootschapsleiding aan derden worden overgedragen. Hierdoor is de vennootschap tegen vijandige invloeden beschermd. Als een bieder of activistische aandeelhouder reeds aandelen bezit, wordt zijn stemmenmacht verwaterd. Bovendien is duidelijk dat een vijandige partij niet een meerderheid van de stemmen kan verwerven zonder toestemming of medewerking van de vennootschapsleiding (en het bestuur van de stichting). Hij wordt hiermee dus gedwongen om van zijn pogingen af te zien of met de vennootschapsleiding in onderhandeling te treden.
De uitgifte van preferente aandelen verhindert dus dat iemand de controle over de doelvennootschap kan verwerven. Hierbij moet worden aangetekend dat dit in principe ook problemen zou kunnen opleveren voor een door de vennootschapsleiding aangezochte bevriende partij, een zogenoemde white knight. Deze zou dan ook geen controle kunnen verkrijgen. Hierin wordt echter meestal voorzien. Dikwijls kan de stichting de preferente aandelen wel met toestemming van de vennootschapsleiding overdragen. Bovendien bevatten de statuten van de vennootschap (en de optieovereenkomst) vaak een bepaling op grond waarvan de vennootschapsleiding ervoor kan kiezen om de aandelen in te trekken met terugbetaling van het op de aandelen gestorte bedrag. De bieder of activist wordt dus zoals gezegd gedwongen om met de vennootschapsleiding in onderhandeling te treden, terwijl de vennootschapsleiding de mogelijkheid behoudt om ofwel deze onderhandelingen te laten slagen ofwel met een white knight in zee te gaan.
Het is duidelijk dat deze beschermingsmaatregel zeer effectief kan zijn. In principe is het op deze wijze gebruik maken van preferente aandelen door rechters erkend als een legitieme beschermingsmogelijkheid tegen een onwelgevallige dreiging.30 Deze mogelijkheid is echter niet onbeperkt. Helemaal duidelijk hoe een dergelijke uitgifte zal worden beoordeeld is het niet (zie hierna § 2.4 en Hoofdstuk 10).
C. Stemrechtbeperking
Stemrechtbeperking is een vrij draconische beperking van de invloed van aandeelhouders. Hierbij wordt in de statuten het aantal stemmen dat per aandeelhouder kan worden uitgebracht beperkt.31 Zo kan worden bepaald dat een aandeelhouder, ongeacht het aantal aandelen dat hij bezit, nooit meer dan 5% van de stemmen mag uitbrengen.32 Het is evident dat dit een drastische beperking van aandeelhoudersinvloed is, die een stevige bescherming biedt tegen vijandige overnames en activistische aandeelhouders. Deze constructie komt bij beursvennootschappen tegenwoordig niet veel meer voor.
D. Certificering
Bij certificering worden de aandelen uitgegeven aan een administratiekantoor (AK). Het AK, meestal een stichting, geeft vervolgens certificaten van aandelen uit aan de uiteindelijke kapitaalverschaffers. Deze certificaten worden dan op de beurs verhandeld.33 De positie van certificaathouders is op een aantal punten gelijk aan die van een aandeelhouder (mits met medewerking van de vennootschap uitgegeven). Er is echter een belangrijk verschil. De certificaathouder heeft in principe geen stemrecht. Bij beursvennootschappen kan certificering dus een duidelijk beschermend en oligarchisch karakter hebben.34 Veel hangt af van de omstandigheid of de certificaten royeerbaar of beperkt royeerbaar zijn. Niet royeerbare certificaten zijn op de beurs niet toegestaan. Certificering is in Nederland een populaire constructie geweest, maar staat sinds een aantal jaren onder druk. Het beschermend effect is enigszins gematigd door de invoering van art. 2:118a BW in 2004. Lid 1 van dit artikel bepaalt dat certificaathouders het recht hebben om op verzoek te worden gevolmachtigd om het aan de aandelen verbonden stemrecht uit te oefenen. De beschermende werking is niet geheel opgeheven. Art. 2:118a lid 2 BW bepaalt dat het AK de volmacht kan beperken, uitsluiten of een gegeven volmacht zelfs herroepen in geval een openbaar bod is aangekondigd of wordt verwacht.35 Dat kan ook als er sprake is van een partij die al dan niet in samenwerking met anderen meer dan 25% van de certificaten bezit of als naar het oordeel van de AK de uitoefening van het stemrecht door de certificaathouder wezenlijk in strijd is met het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming.36 Door deze laatste twee bepalingen blijft certificering ook in activisme situaties een zekere bescherming bieden. Dit wordt enigszins geneutraliseerd door de Code. Deze stelt dat certificering in principe niet als beschermingsmaatregel mag worden gebruikt, maar slechts om te voorkomen dat door absenteïsme een (toevallige) meerderheid de besluitvorming in de ava naar haar hand zet. Het AK dient onder alle omstandigheden stemvolmachten te verlenen aan certificaathouders die daar om vragen.37 Alles bij elkaar is een duidelijke trend waarneembaar dat van certificering steeds minder gebruik wordt gemaakt.38
E. De structuurregeling
In 1971 werd het structuurregime in het leven geroepen.39 Het structuurregime is in principe alleen van toepassing op zogeheten grote vennootschappen.40 In het structuurregime werd veel macht gelegd bij de rvc, die het vennootschappelijk belang moest dienen en dus niet alleen de belangen van aandeelhouders. Om dit te bewerkstelligen werden de grote vennootschappen verplicht om een rvc in te stellen, en kreeg deze rvc een aantal belangrijke bevoegdheden die in het gewone regime aan de ava toekomen.41 Een van de achterliggende gedachten was dat aandeelhouders in grote vennootschappen niet voldoende in staat waren om het bestuur te controleren. Het idee was dat de rvc mede namens de aandeelhouders toezicht zou gaan houden op het beleid van het bestuur. Daarnaast voorziet de structuurregeling, volledig in lijn met de toenmalige tijdsgeest, in een belangrijkere rol voor de medezeggenschap. De ondernemingsraad krijgt in de structuurregeling bepaalde bevoegdheden, met name inzake de benoeming van commissarissen. De belangrijkste bevoegdheid van de rvc van een structuurvennootschap is de bevoegdheid om bestuurders te benoemen en te ontslaan.42 Dit is duidelijk een aanzienlijke machtsverschuiving in de richting van de rvc. Daarnaast neemt de rvc van een structuurvennootschap de bevoegdheid om de jaarrekening vast te stellen van de ava over43 en bepaalt art. 2:164 lid 1 BW dat bepaalde belangrijke besluiten van het bestuur door de rvc moeten worden goedgekeurd. Zo zijn besluiten met betrekking tot de uitgifte en intrekking van aandelen, belangrijke investeringen of samenwerkingen, statutenwijziging en ontbinding van de vennootschap aan de goedkeuring van de rvc onderworpen. De belangrijke en machtige positie van de rvc werd in de oorspronkelijke structuurregeling nog eens onderstreept doordat de structuurwet bepaalde dat de commissarissen niet werden benoemd door de ava, maar door cooptatie. De inbreng van de ava bij de benoeming van commissarissen was beperkt tot een aanbevelings- en bezwaarrecht. Ook ten aanzien van het ontslag van commissarissen week het structuurregime af van het gewone regime. Commissarissen konden alleen door een beschikking van de Ondernemingskamer worden ontslagen.
In de loop der jaren heeft de structuurregeling veel kritiek gekregen, met name op het systeem van coöptatie.44 Het structuurregime kwam de aandeelhoudersinvloed niet ten goede en werd, zeker als deze vrijwillig werd toegepast, in toenemende mate gezien als een beschermingsconstructie. De macht van de ava werd ingeperkt ten gunste van de rvc, terwijl de ava bijna geen invloed kon uitoefenen op de samenstelling van die rvc. Mede als gevolg van deze (in toenemende mate internationale) kritiek, is de structuurregeling 2004 ingrijpend gewijzigd, min of meer langs de lijnen van een SER-advies uit 2001.45 Kern van de wijziging is dat commissarissen niet meer via cooptatie worden benoemd, maar door de ava.46 De benoemingsprocedure is ingewikkeld. De benoeming geschiedt op voordracht van de rvc. De ava kan de voordracht met een meerderheid van de uitgebrachte stemmen vertegenwoordigende ten minste een derde van het geplaatste kapitaal de voordracht afwijzen. De ava en de ondernemingsraad hebben een algemeen aanbevelingsrecht en kunnen voor de benoeming bepaalde kandidaten aanbevelen. Daarnaast heeft de ondernemingsraad voor een derde van de rvc een versterkt aanbevelingsrecht. Dat wil zeggen dat voor een derde van de leden van de rvc de rvc in principe de kandidaat voordraagt die door de ondernemingsraad wordt aanbevolen. Mochten de rvc en de ondernemingsraad er niet uitkomen dan kan de Ondernemingskamer de knoop doorhakken. Van belang is verder dat in de nieuwe regeling de ava op grond van art. 2:161a BW het vertrouwen in de rvc in zijn geheel kan opzeggen. Dit alles vormt in de praktijk weer een belangrijke machtsverschuiving terug van de rvc naar de ava. Hiermee is aan een deel van de kritiek tegemoet gekomen en loopt de structuurregeling internationaal niet meer al te zeer uit de pas.47
Het oorspronkelijke structuurregime was een zeer effectieve bescherrningsmaatregel.48 De beschermende werking is evident. Het bestuur noch de rvc wordt door aandeelhouders benoemd, maar door de rvc. Tegenwoordig speelt het structuurregime als beschermingsmaatregel een kleinere rol dan vroeger.49 Ten eerste is het beschermende karakter sinds de wetswijziging van 2004 minder geworden doordat de ava de rvc benoemt en ook kan wegzenden. Enigszins indirect gaat de ava dus uiteindelijk weer over de samenstelling van de vennootschapsleiding. Een tweede reden voor de verminderde relevantie van de structuurregeling als beschermingsconstructie is het feit dat steeds minder beursvennootschappen structuurvennootschappen zijn.50
F. Diversen (Pandora-constructies)
Naast de hiervoor genoemde beschermingsmaatregelen zijn er nog diverse andere beschermingsmaatregelen. Van oudsher worden ook nog zogenoemde Pandora constructies genoemd. Dit vormt een soort restcategorie. Deze term kwam voor in de inmiddels afgeschafte Bijlage X bij het Fondsenreglement.51 Bijlage X omschreef deze constructies nogal vaag en ruim. Kort gezegd behoorden hiertoe enig onverplicht bestuursbesluit waarvan het oogmerk uitsluitend of nagenoeg uitsluitend is dat een toekomstig vijandig openbaar bod in het algemeen zal worden gefrustreerd en enige overeenkomst die wordt gesloten met dit oogmerk, al dan niet voorwaardelijk of onder tijdsbepaling.52 Honée komt tot de volgende typering: ...het zijn maatregelen die erop zijn gericht zodanig in te grijpen in de vermogens- of zeggenschapspositie van de doelwitvennootschap dat na welslagen van het bod het door de bieder beoogde voordeel omslaat in een ernstig nadeel. Anders gezegd: op voorwaarde van welslagen van het bod duperen zij de doelwitvennootschap met de bedoeling daarmee de bieder te treffen. '53
Tot Pandora constructies worden in de literatuur veelal constructies gerekend met Amerikaanse namen als poison pills, crown jewels en golden parachutes.54
Crown jewels worden omschreven als regelingen die ertoe strekken de meest winstgevende onderdelen van een concern, de kroonjuwelen, daarbuiten onder te brengen in bijvoorbeeld een "bevriende" stichting die de koopsom over een lange periode schuldig blijft tegen betaling van een zekere rente.55 Dit lijkt mij inmiddels een wat te beperkte omschrijving. Crown jewel defenses kunnen ook bestaan uit transacties waarbij voor de bieder aantrekkelijke onderdelen worden verkocht aan een derde (niet noodzakelijkerwijs een 'bevriende stichting'), waardoor een overname voor een bieder minder aantrekkelijk wordt.56
Poison pills worden in de Nederlandse literatuur omschreven als regelingen waarmee wordt beoogd om bij een geslaagde vijandige overname belangrijke vermogensbestanddelen in handen te brengen van een ander dan de overnemer, zoals een concurrent. De regeling leidt ertoe dat aan de vennootschap aanzienlijke schade wordt toegebracht die de overnemer ervan moet weerhouden zijn pogingen door te zetten.57 Hiermee is het onderscheid met de beschrijving van crown jewels niet zo groot.58 De aanduiding is ook enigszins verwarrend, aangezien deze term uit de VS is overgenomen, maar in de VS in de praktijk met poison pills hele andere constructies worden aangeduid.59 Ten slotte worden in deze categorie vaak golden parachutes genoemd. Dit zijn kort gezegd regelingen waarbij bestuurders of andere functionarissen van de doel-witvennootschap bij een mogelijk geslaagde vijandige overname aanspraak kunnen maken op een buitensporige afvloeiingsregeling.60
Naast de hiervoor gegeven voorbeelden en omschrijvingen zijn er nog vele soorten beschermende handelingen te verzinnen.61 Ik noem bijvoorbeeld nog het zoeken naar een white knight als alternatief voor de vijandige bieder en het beschermen van een eventuele fusieovereenkomst met deze white knight door middel van het overeenkomen van break-up fees of andere contractuele afspraken (zogenoemde deal protection measures).62 Op deze regelingen, die voor een belangrijk deel zijn overgewaaid uit de VS, ga ik in het volgende hoofdstuk, over bescherming in de VS, uitgebreider in.