Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.9.3:7.3.9.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.9.3
7.3.9.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS607821:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 4, p. 35 en 36.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 7.3.7 heb ik uitgelegd dat het begrip ‘belang’ als bedoeld in art. 10c lid 1 Wet VPB 1969 rechtsvormneutraal is. Ten aanzien van de bepaling in lid 1 kan nog worden opgemerkt dat zij geen neutrale uitwerking heeft, omdat de inkoop van aandelen in een dochtervennootschap of een zustervennootschap niet onder het bereik van de bepaling valt.
Voor de beoordeling van de neutraliteit van het begrip ‘verbonden vennootschap’ in de zin van art. 10a lid 7 Wet LB 1964 verwijs ik naar de analyse in hoofdstuk 9.
Zoals hiervoor is opgemerkt, vervullen de begrippen ‘belang’ en ‘verbonden vennootschap’ in art. 10c Wet VPB 1969 een operationaliseringsfunctie, terwijl deze begrippen oorspronkelijk een antiontgaansfunctie hebben. Met name ten aanzien van de bepaling van art. 10c lid 1 Wet VPB 1969 vind ik dat niet logisch. Het open karakter van de norm die in het begrip ‘belang’ wordt gehanteerd is wel gerechtvaardigd op basis van een antimisbruikfunctie, maar bij een operationaliseringsfunctie is zoveel onduidelijkheid niet nodig. Er zou naar mijn mening een scherpere norm kunnen worden gehanteerd, bijvoorbeeld door aansluiting bij het concernbegrip dat ik in paragraaf 7.3.3 heb geschetst voor de afschrijvingsfaciliteit van art. 8 lid 6a onderdeel a Wet VPB 1969. Dit zou tevens leiden tot meer uniformiteit.
Voor het begrip ‘verbonden vennootschap’ in art. 10c lid 2 Wet VPB 1969 acht ik het niet bezwaarlijk dat dit eigenlijk een antiontgaansfunctie heeft en een operationeel karakter krijgt. De specifieke inkoopregeling voor de vennootschapsbelasting beoogt aan te sluiten bij hetgeen voor de loonbelasting als een aandelenoptierecht wordt beschouwd. Nu in art. 10a lid 6 Wet LB 1964 is bepaald dat een optierecht met betrekking tot aandelen in een ‘verbonden vennootschap’ ook als een aandelenoptierecht kwalificeert, vind ik het niet onlogisch dat dit verbondenheidsbegrip ook wordt gehanteerd in de regeling voor de inkoop van aandelen ter afdekking van de daarmee verband houdende optieverplichting. Echter, zoals ik in hoofdstuk 9 nader zal toelichten, acht ik het ter verbetering van de rechtsvormneutraliteit en uniformiteit beter om in art. 10a lid 7 Wet LB 1964 aan te sluiten bij het begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969. Hieruit volgt dat dit begrip ook in art. 10c lid 2 Wet VPB 1969 zou moeten worden gehanteerd.
Overigens wijs ik erop dat de aftrekbeperking van kosten van werknemersoptie-en aandelenplannen van art. 10 lid 1 onderdeel j Wet VPB 1969 eveneens aanknoopt bij het begrip ‘verbonden lichaam’. Tijdens de parlementaire behandeling van deze bepaling is erkend dat het begrip ‘verbonden vennootschap’ onduidelijkheid kan opleveren, omdat het niet is gedefinieerd.1 Juist om die reden is in art. 10 lid 1 onderdeel j Wet VPB 1969 het begrip ‘verbonden lichaam’ gebruikt.