Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.5.11
12.5.11 Een vordering daalt in waarde door een splitsing
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491424:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze problematiek is uitgebreider behandeld in de onderdelen 11.3.10, 11.4.4.4 en 11.4.5.4.
Deze antimisbruikbepaling is onderzocht in onderdeel 10.4.
Ontleend aan Van der Burgt, WPNR 2016/7131, onderdeel 9.5.1, p. 1062-1063. Vgl. ook Boulogne & Brandsma 2019, onderdeel 3.4.3.3, p. 55.
Zie HR BNB 2013/148.
Voor het geval de wetgever deze regels toch handhaaft, dient de reikwijdte van standaardvoorwaarde 2 te worden verduidelijkt, zowel voor zuivere splitsingen als voor afsplitsingen. Zie onderdeel 11.4.4.4 voor de eerder geïdentificeerde fiscaaltechnische kritiekpunten.
Indien bepaalde vorderingen als rechtstreeks gevolg van een fiscaal begeleide splitsing in waarde dalen, is volgens de staatssecretaris de latere heffing niet verzekerd. De wettelijke doorschuifregeling is dan niet toepasbaar en de splitsingspartners worden zowel in het geval van zuivere splitsingen als in het geval van afsplitsingen geconfronteerd met een standaardvoorwaarde die bepaalt dat dergelijke waardeverminderingen bij het bepalen van de winst buiten aanmerking blijven. Als zo’n vordering op een later moment in waarde stijgt, blijft die waardestijging onbelast tot het bedrag van het eerder in aftrek geweigerde afwaarderingsverlies.1
Het gaat bij deze waarderingsregels voor vorderingen volgens mij niet over vennootschapsbelastingclaims die bij de fiscaal gefaciliteerde splitsing dienen te worden doorgeschoven. Deze waarderingsregels kwalificeren volgens mij als antimisbruikmaatregelen verpakt als claimhandhavers. De staatssecretaris schrijft in de toelichting dat het kunstmatig verminderen van de waarde van vorderingen bij een splitsing onder omstandigheden kan worden bestreden met de antimisbruikbepaling van art. 14a, lid 6, Wet VPB 1969.2 Dat roept de vraag op waarom hij niet ‘gewoon’ op deze antimisbruikbepaling vertrouwt. Mijns inziens is dat de aangewezen route. De waarderingsregels voor vorderingen zijn naar mijn mening in elk geval niet specifiek genoeg toegesneden op misbruiksituaties. Onder verwijzing naar het vorige onderdeel concludeer ik dat deze regels conflicteren met mijn toetsingskader. Daarnaast wijs ik erop dat een afwaarderingsverlies op een vordering mogelijk kan worden geblokkeerd met de stelling dat sprake is van een onzakelijke lening wanneer de schuldeiser bij de splitsing geen gebruikmaakt van de aanwezige waarborg voor schuldeisers (art. 2:334k BW).3 Het lijkt mij namelijk (meer dan) aannemelijk dat een onafhankelijke derde zijn belangen bij een splitsing wel veiligstelt. In dit kader is van belang op te merken dat een geldlening ook pas na verloop van tijd door onzakelijk handelen van de schuldeiser (in dit geval: nalaten een waarborg te verlangen) het predicaat onzakelijk kan krijgen.4
Het voorgaande overziend, is er naar mijn mening geen noodzaak voor deze waarderingsregels in art. 14a Wet VPB 1969 en/of het Besluit reorganisaties.5