De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen
Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/4.2.1.6:4.2.1.6 Het redelijk belang in art. 43d Wvk (2:111/2:221 BW)
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/4.2.1.6
4.2.1.6 Het redelijk belang in art. 43d Wvk (2:111/2:221 BW)
Documentgegevens:
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649646:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin OK 8 oktober 1992 (niet gepubliceerd), waarover Groffen 1994, p. 138.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het uiteindelijke WvK 1928 is wat betreft het toekennen van het wettelijke convocatierecht (en daarmee het agenderingsrecht) aan kapitaalverschaffers dus behoudender dan het Ontwerp Jolles. Het bestuur en de rvc zijn onder het WvK 1928 immers niet zonder meer verplicht om op verzoek tot bijeenroeping over te gaan, terwijl zij dat volgens het Ontwerp Jolles wel waren. Het bestuur en de rvc kunnen onder het WvK 1928 besluiten geen gevolg te geven aan het convocatieverzoek. De weigering moet er dan op gebaseerd zijn dat de kapitaalverschaffers naar het oordeel van het bestuur en de rvc geen redelijk belang hebben bij het houden van de vergadering. Dit is namelijk de toets die de president van de rechtbank (thans de voorzieningenrechter) aanlegt wanneer de kapitaalverschaffers zich ex art. 43d WvK 1928 tot hem wenden om zich te laten machtigen tot oproeping.
Het vereiste van het redelijk belang is in de wet opgenomen met het doel ‘plagerijen’ tegen te gaan,1 en strekt er (voorts) toe te voorkomen dat concurrerende bedrijven een minderheidsbelang zullen opbouwen waarmee zij de werkzaamheden van de vennootschap kunnen verstoren.2 Hieruit kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat de rechter de machtiging slechts weigert in gevallen van oneigenlijk gebruik.3 Een zeer restrictieve toets dus. Al snel na inwerkingtreding van art. 43d WvK 1928 werd in de rechtspraak echter een ruimere invulling aan het redelijk belang-vereiste gegeven. In par. 5.5.4.2 wijd ik daar verder over uit. In het kader van de hier gegeven historische schets is enkel van belang om te noteren dat onder het Ontwerp Jolles het bestuur en de rvc verplicht waren om op verzoek tot bijeenroeping over te gaan, maar dat die verplichting uiteindelijk niet in het WvK 1928 is overgenomen. Dit neemt evenwel niet weg dat in het wettelijke convocatierecht van art. 43c en art. 43d WvK 1928, vanwege de restrictieve uitleg die de wetgever aan het redelijk belang-vereiste geeft, eveneens een krachtig agenderingsrecht voor kapitaalverschaffers besloten ligt, dan wel zou moeten liggen.