Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/5.5.2
5.2 Verdeling door een afwikkelingsbewindvoerder
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948273:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie B.M.E.M. Schols, in: Handboek erfrecht 2020, p. 614.
Zie Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 2058. Zie voorts B.M.E.M. Schols, in: Handboek erfrecht 2020, p. 591-593 en 614, alsmede Asser/Perrick 4 2021/674. Zie uitgebreid over het afwikkelingsbewind Schols, Van exécuteur testamentaire tot Testamentsvollstrecker tot afwikkelingsbewindvoerder 2007, p. 407-447.
Zie Parl. Gesch. Boek Inv. Boek 4 BW, p. 2132. Zie tevens Asser/Perrick 4 2021/740-746 en B.M.E.M. Schols, in: Handboek erfrecht 2020, p. 620-624.
Zie B.M.E.M. Schols, in: Handboek erfrecht 2020, p. 591.
Zie Asser/Perrick 4 2021/745, met verdere literatuurverwijzingen en verwijzing naar HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ 2014/58. Zie voorts B.M.E.M. Schols, in: Handboek erfrecht 2020, p. 623-624.
Zie Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2017/1-16. Zie tevens T.J. Mellema-Kranenburg, Executele en bewind (Mon. BW nr. B21b) 2016, nr. 42.
De bewindvoerder is daarbij bevoegd om alle leveringshandelingen te verrichten die noodzakelijk zijn voor de herverkrijging door de betreffende erfgenamen van de aan hen toegedeelde goederen. Gaat het om registergoederen, dan is de bewindvoerder dus niet alleen bevoegd om de voor herverkrijging noodzakelijke notariële akte op te laten maken, maar ook om deze notariële akte te laten inschrijven in de openbare registers (artikel 3:89 BW).
266. Uit artikel 4:153 BW volgt dat een erflater bij uiterste wilsbeschikking een bewind kan instellen over één of meer door hem nagelaten of vermaakte goederen. Het belangrijkste gevolg van het bewind is dat de bewindvoerder, binnen de grenzen van zijn bevoegdheid, de rechthebbende(n) vertegenwoordigt. De grenzen van zijn bevoegdheid worden daarbij door de wet getrokken, waarbij de wet onderscheidt al naargelang de strekking van het bewind. Het kan dan gaan om een bewind dat is ingesteld in het belang van de rechthebbende, een bewind dat is ingesteld in het belang van een ander dan de rechthebbende of in een gemeenschappelijk belang en het bewind dat is ingesteld zowel in het belang van de rechthebbende(n) als in het belang van één of meer anderen of het gemeenschappelijk belang.1 In die gevallen waarin bij uiterste wilsbeschikking in het gemeenschappelijk belang van de erfgenamen een bewind is ingesteld over alle goederen van de nalatenschap betreft het vaak een executele die met dit type bewind is uitgebreid.2 In dat geval wordt gesproken over een ‘afwikkelingsbewind’.3 De wet voorziet in artikel 4:166-4:170 BW in de bevoegdheden die toekomen aan een bij testament aangewezen bewindvoerder. Artikel 4:171 lid 1 BW biedt echter aan de testateur de mogelijkheid om deze bevoegdheden nader te regelen en deze bevoegdheden daarbij ruimer of beperkter vast te stellen dan uit de wet voortvloeit. Zo kan de erflater de bewindvoerder bevoegd verklaren beschikkingshandelingen te verrichten zonder toestemming van de rechthebbende(n) en zonder machtiging van de kantonrechter.4 Artikel 4:171 lid 1 BW vormt ook de basis voor het eerder genoemde ‘afwikkelingsbewind’.5 Over het algemeen wordt er in de literatuur vanuit gegaan dat de testateur op grond van artikel 4:171 lid 1 BW aan een bewindvoerder óók de bevoegdheid kan verlenen om zelfstandig, dus zonder medewerking van de rechthebbenden, tot verdeling van de nalatenschap over te gaan.6
267. Heeft de erflater aan de (executeur/)bewindvoerder de bevoegdheid tot verdeling van de nalatenschap toegekend, dan worden de goederen die de erfgenamen uit hoofde van die verdeling verkrijgen onverkort krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’ verkregen. Door het overlijden van erflater ontstaat immers een gemeenschap van nalatenschap op grond waarvan ieder van de erfgenamen gerechtigd is tot alle afzonderlijke goederen die tot deze nalatenschap behoren. Om uit deze onverdeeldheid te geraken, is een verdeling nodig. Waar normaal gesproken de erfgenamen zelf deze verdeling bewerkstelligen, is het nu de afwikkelingsbewindvoerder die deze verdeling tot stand brengt. Daarbij dient het gebruikelijke wettelijke systeem voor verdeling gevolgd te worden, dat wil zeggen dat er een verdelingshandeling moet worden verricht (artikel 3:182 BW) die de titel vormt voor de levering van de toegedeelde goederen (artikel 3:186 lid 1 BW). De afwikkelingsbewindvoerder treedt daarbij op als direct (onmiddellijk) vertegenwoordiger van de erfgenamen. Dat houdt in dat de rechtshandelingen die hij in het kader van de verdeling verricht rechtens niet als zijnrechtshandelingen kwalificeren, maar als rechtshandelingen van de erfgenamen.7 In feitelijke zin is het dus de bewindvoerder die de obligatoire verdeling tot stand brengt (artikel 3:182 BW) en daaropvolgend de benodigde leveringshandelingen verricht (artikel 3:186 lid 1 BW), maar rechtens worden deze verdeling en levering beschouwd als rechtshandelingen van de erfgenamen zelf.8 De goederen die de erfgenamen door de verdeling verkrijgen, verkrijgen zij dus ook bij een verdeling door de afwikkelingsbewindvoerder krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’. Ook hier geldt dus dat de verdeling haar translatieve karakter onverminderd behoudt.