Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.8.2:7.3.8.2 Vergelijking met andere disciplines en rechtsgebieden
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.8.2
7.3.8.2 Vergelijking met andere disciplines en rechtsgebieden
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS604178:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De kring van verbonden natuurlijke personen voor art. 10a lid 5 onderdeel b Wet VPB 1969 is ruim. Wat betreft de partner wordt rekening gehouden met een echtgenoot, geregistreerd partner, en de partner met wie ongehuwd wordt samengeleefd. In paragraaf 7.3.7 is opgemerkt dat bij de gelijkstelling van ongehuwde samenwoners met echtgenoten een bepaling in de zin van art. 3.91 lid 2 onderdeel b onder 5° Wet IB 2001 ontbreekt. Het vermoeden van ‘verbondenheid’ ten aanzien van ongehuwde samenwoners kan dus niet worden weerlegd door aan te tonen dat er geen sprake is van een duurzaam gevoerde gemeenschappelijke huishouding. Dit sluit niet aan bij de sociaal-maatschappelijke realiteit; uit demografisch onderzoek blijkt immers dat relaties van ongehuwde samenwoners minder stabiel kunnen zijn dan die van gehuwden. Voorts is opmerkelijk dat ook in art. 10a lid 5 onderdeel b Wet VPB 1969 niet is aangesloten bij andere situaties van verbondenheid, zoals omschreven in art. 3.91 lid 2 onderdeel b Wet IB 2001. De reikwijdte van de antimisbruikbepaling is nu minder groot.
Omdat in art. 10a lid 5 onderdeel b Wet VPB 1969 wordt gesproken van ‘bloed- of aanverwanten’, wordt zowel het ‘eigen’ kind, het adoptiekind als het stiefkind meegeteld. Daarbij wordt een pleegkind ook als ‘verbonden’ aangemerkt. Op basis van art. 1.2 lid 5 Wet IB 2001 lijkt ook het kind van de ongehuwde samenlevingspartner als ‘aanverwant’ te moeten worden beschouwd, nu voor de toepassing van art. 10a lid 5 onderdeel b Wet VPB 1969 eveneens is aangesloten bij het begrip ‘partner’ in de zin van de Wet IB 2001. Voorts wordt de echtgenoot van deze verschillende soorten kinderen, hun geregistreerde partner of de partner met wie zij ongehuwd samenleven, als ‘verbonden’ beschouwd. Vanuit de positie van de kinderen bezien, zijn hun ouders, pleegouders en stiefouders met hen verbonden. Als gevolg van deze ruime invulling is de bepaling naar mijn mening in overeenstemming met de sociaal-maatschappelijke werkelijkheid van samenlevingsvormen en gezinssituaties, en met het personen- en familierecht.