Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/7.2
7.2 Wetsgeschiedenis van art. 2:354 BW
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652395:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ontwerp van de Staatscommissie tot herziening van het Wetboek van Koophandel, zie Belinfante 1890, p. 47 en p. 113-114. Vgl. art. 59 Engelse Companies Act 1862.
Handelingen II 1909/10, 217, 2, p. 11; Handelingen II 1909/10, 217, 3, p. 42.
Wet van den 2den Juli 1928, tot wijziging en aanvulling van de bepalingen omtrent de naamlooze vennootschap en regeling van de aansprakelijkheid voor het prospectus, Stb. 1928, 216. Zie in die richting ook het verzoek in OK 22 juni 2000 (r.o. 4.6), JOR 2000/173, m.nt. M.W. Josephus Jitta (De Vries Robbé).
Commissie Verdam 1965, p. 68-70.
Wet van 10 september 1970 tot wijziging van de artikelen 53-54c van het Wetboek van Koophandel (Herziening van het enquêterecht), Stb. 1970, 411.
Zie ook Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3, p. 8. De door de minister genoemde aansluiting van dit criterium bij andere wettelijke bepalingen (art. 53 WvK (oud); art. 53a lid 3 WvK (oud)) kan ik overigens niet goed volgen.
Parl. Gesch. Inv. Boek 2, p. 1474-1475.
Als hiervoor in par. 6.5.3 beschreven namen de Ontwerpen 1890 en 1910 van het Wetboek van Koophandel niet de financiering van de kosten van het onderzoek door de rechtspersoon tot uitgangspunt. Uitgangspunt was de financiering van de kosten van het onderzoek door de enquêteverzoeker, als waarborg tegen misbruik van de enquêtebevoegdheid. In het Ontwerp 1890 kreeg de rechtbank echter de vrijheid hetzij bij de beschikking tot toewijzing van het enquêteverzoek, hetzij na kennisneming van het onderzoeksverslag te bepalen dat de kosten van het onderzoek worden gedragen door de vennootschap, of door bestuurders of commissarissen of een of meer hunner in privé.1
In het Ontwerp 1910 verdween de mogelijkheid van een andere verdeling van de kosten van het onderzoek reeds bij toewijzing van het enquêteverzoek. In de memorie van toelichting werd hierover opgemerkt: ‘Wanneer de beschikking, waarbij het onderzoek gelast wordt, wordt genomen, zal de rechtbank nog niet met kennis van zaken omtrent de betaling der kosten kunnen beslissen.’ Het Ontwerp 1910 werd verder uitgebreid met de mogelijkheid tot verhaal van de kosten van het onderzoek op een of meer andere personen in dienst van de vennootschap, na kennisneming van het onderzoeksverslag.2
De regeling uit het Ontwerp 1910 werd min of meer overgenomen in de wettekst van 1929. In art. 54b WvK (oud) werd bepaald dat de kosten van het onderzoek worden voldaan door de enquêteverzoeker(s). Art. 54b WvK (oud) omvatte daarnaast de verhaalsmogelijkheid afkomstig uit het Ontwerp 1910. Tegen de beslissing van de rechtbank tot verhaal van de kosten van het onderzoek stond geen rechtsmiddel open, behoudens cassatie in het belang der wet. Verhaal was volgens art. 54b WvK (oud) slechts mogelijk nadat degene, wien vergoeding van kosten wordt opgelegd, is gehoord of behoorlijk opgeroepen.3 Kon de enquêteverzoeker geen zekerheid stellen voor de voldoening van de op het onderzoek vallende kosten, dan diende de rechtbank het verzoek ingevolge art. 53a WvK (oud) af te wijzen.
In 1964 deed de door de minister van Justitie ingestelde Commissie Verdam in haar rapport aanbevelingen ter herziening van het enquêterecht, waaronder het voorstel de vennootschap te verplichten de kosten van het onderzoek voorshands te voldoen. Ook werd voorgesteld art. 53e WvK (oud) – de voorloper van art. 2:354 BW – aldus te wijzigen:
‘De ondernemingskamer kan na kennisneming van het verslag bepalen, dat de kosten van het onderzoek geheel of ten dele zullen worden verhaald op de verzoekers of op een of meer bestuurders of commissarissen van de vennootschap persoonlijk of op een of meer andere personen, in dienst van de vennootschap. Een dergelijke voorziening wordt niet getroffen dan nadat degene wien de vergoeding van kosten wordt opgelegd, is gehoord of behoorlijk is opgeroepen. De beschikking is vatbaar voor cassatie.’4
Naar aanleiding van de aanbevelingen van de Commissie Verdam werd in de wettekst uit 1971 in art. 53a WvK (oud) opgenomen dat de vennootschap de kosten van het onderzoek betaalt. In art. 53e WvK (oud) werd opgenomen:
‘De ondernemingskamer kan na kennisneming van het verslag op verzoek van de vennootschap beslissen, dat deze de kosten van het onderzoek geheel of gedeeltelijk kan verhalen op de verzoekers, indien uit het verslag blijkt dat het verzoek niet op redelijke grond is gedaan, dan wel op een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst der vennootschap is, indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van de vennootschap. De laatste zin van het derde lid van artikel 53a is van toepassing.’5
In de wettekst werd dus verduidelijkt dat het verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek kan worden ingediend door de vennootschap. Ook werd een criterium voor toewijzing van het verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek toegevoegd.6 De in de wettekst uit 1929 en het voorstel van de Commissie Verdam opgenomen explicitering dat behoorlijke oproeping van betrokkenen is vereist en de beschikking vatbaar is voor cassatie – volgens de wettekst uit 1929 enkel in het belang der wet – werden geschrapt in art. 53e WvK (oud).
In 1976 werd art. 53e WvK (oud) met de invoering van Boek 2 BW vrijwel ongewijzigd overgeheveld naar art. 2:354 BW. Omdat de werking van het enquêterecht dan is uitgebreid naar BV’s7 en onderlinge waarborgmaatschappijen8 wordt het woord ‘vennootschap’ vervangen door ‘rechtspersoon’. Hierna is de tekst van art. 2:354 BW niet meer gewijzigd.