Foutenleer
Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/4.2.2.2:4.2.2.2 HR 22 oktober 1952, B. 9293; het basisarrest van de foutenleer
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/4.2.2.2
4.2.2.2 HR 22 oktober 1952, B. 9293; het basisarrest van de foutenleer
Documentgegevens:
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS419298:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In HR 22 oktober 1952, B. 9293, werd geprocedeerd over de aan belanghebbende voor het jaar 1946 opgelegde aanslag inkomstenbelasting. Belanghebbende kwam tegen de uitspraak van de Raad van Beroep in cassatie met de klacht, dat bij de berekening van de bedrijfswinst voor 1946 is uitgegaan van een beginvermogen dat lager was dan het bedrag dat bij de aanslagregeling van het jaar 1945 als eindvermogen in aanmerking is genomen. In de procedure bij de Raad van Beroep was komen vast te staan dat belanghebbende op 1 januari 1946 ter zake van ‘onkosten’ en ‘nog te betalen ondernemingsbelasting’ schulden had. Aangezien deze schulden – zo stelde belanghebbende – niet in aanmerking waren genomen bij de vaststelling van het vermogen per 31 december 1945, was de balanscontinuïteit doorbroken met het gevolg, dat over hetzelfde bedrag tweemaal inkomstenbelasting was geheven. De Hoge Raad oordeelt dat deze klacht, hoewel door belanghebbende wel aangevoerd, door de Raad van Beroep ten onrechte niet is onderzocht, zodat de uitspraak niet in stand kan blijven. De zaak wordt voor nader onderzoek verwezen, waarbij de Hoge Raad een aantal belangrijke regels meegeeft. Als uitgangspunt neemt de Hoge Raad het – destijds – in de wet opgenomen beginsel van de balanscontinuïteit:
dat blijkens het zesde lid van artikel 9 (oud) IB ’41 in het algemeen als beginsel behoort te worden aanvaard, dat als zuiver bedrijfsvermogen bij het begin van het boekjaar geldt het zuiver bedrijfsvermogen bij het einde van het vorige boekjaar
en stelt vast dat van dit beginsel, dat een belasting van de gehele in de loop der jaren met een bedrijf behaalde winst beoogt te verzekeren, afwijking kan zijn geboden, indien in enig boekjaar blijkt:
dat bij de vaststelling van het eindvermogen voor het vorige boekjaar bepaaldelijk een fout is gemaakt, dat wil zeggen dat in enig opzicht dat vermogen niet aan de hand van de ten tijde van de vaststelling daarvan den belastingplichtige ten dienste staande gegevens naar de voorschriften van de wet en overeenkomstig goed koopmansgebruik is vastgesteld;
Nadat de Hoge Raad het beginsel der balanscontinuïteit heeft gesteld tegenover het jaarwinstbeginsel, door te overwegen:
dat immers tegenover het beginsel der balanscontinuïteit neergelegd in artikel 9, lid 6, staat het beginsel, dat de inkomstenbelasting wordt geheven over een jaarlijks genoten inkomen, hetgeen medebrengt, dat de winst over een bepaald jaar zoveel mogelijk op grond van de juiste voor dat jaar ten dienste staande gegevens moet worden berekend;
brengt hij een rangorde tussen deze twee beginselen aan. Deze rangorde bestaat erin, dat het jaarwinstbeginsel – dat onder omstandigheden het beginsel der balanscontinuïteit zal kunnen doorbreken – echter weer moet wijken,
indien als gevolg van de verbetering van zulk een fout een toestand ontstaat, waarbij zonder mogelijkheid van redres een stuk bedrijfswinst hetzij onbelast blijft, hetzij dubbel belast wordt.
Bedrijfswinst blijft onbelast:
indien de belastingplichtige wenst, dat ter verbetering van een fout, gemaakt bij de vaststelling van het vermogen bij het einde van het vorige boekjaar, het vermogen bij het begin van het volgende boekjaar op een hoger bedrag wordt gesteld, doch geen mogelijkheid tot navordering bestaat, terwijl betaling van gewetensgeld wordt geweigerd;
terwijl bedrijfswinst dubbel wordt belast in een geval,
waarin de inspecteur ter verbetering van zulk een fout het beginvermogen van enig jaar lager stelt dan het vermogen aan het einde van het vorige jaar en de aanslag voor dat vorige jaar reeds onherroepelijk vaststaat, terwijl de inspecteur weigert deze ambtshalve alsnog te verminderen.
Ten slotte oordeelt de Hoge Raad dat de beslissing in deze zaak afhankelijk is van het onderzoek:
of de bij de vaststelling van het vermogen aan het begin van het boekjaar 1946 ter zake van ‘onkosten’ en ‘nog te betalen ondernemingsbelasting’ in aanmerking genomen schulden bij het vermogen aan het einde van het boekjaar 1945 inderdaad buiten aanmerking waren gelaten;
indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, of het buiten aanmerking laten van deze schulden bepaaldelijk een fout was, dan wel in het licht van de de belastingplichtige destijds ten dienste staande gegevens tegenover wet en goed koopmansgebruik kon worden verantwoord;
bij de beantwoording van de tweede vraag in eerstgenoemde zin, of door de verbetering van deze fout inderdaad een deel van de bedrijfswinst dubbel belast wordt en redres daarvan al dan niet mogelijk is.