Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen
Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/3.3.1:3.3.1 Inleiding
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/3.3.1
3.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS344233:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Uitgaande van het maximale Vpb-tarief van 25% (art. 22 Wet Vpb 1969) resteert 75% om aan dividend uit te keren. Onder de veronderstelling dat dit geheel wordt uitgekeerd, volgt abheffing tegen een tarief van 25% (art. 2.13Wet IB 2001). Dit leidt tot een gecombineerde druk van 43,75%.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige paragraaf is geanalyseerd met welke belastingclaim een natuurlijk persoon wordt geconfronteerd bij staking van een IB-onderneming. In deze paragraaf staat de uiteindelijk op een natuurlijke persoon rustende belastingclaim centraal als een onderneming wordt gedreven in de vorm van een kapitaalvennootschap. De onderneming wordt al dan niet via tussenkomst van een holdingvennootschap gedreven. Dit neemt niet weg dat het ook in deze situatie draait om de natuurlijke persoon die het belang houdt in de holdingvennootschap. Op deze persoon drukt de uiteindelijke IB-claim. De holdingstructuur biedt wel mogelijkheden om de belastingheffing uit te stellen. Om in hoofdstuk 4 de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten te kunnen toetsen, moet eerst inzicht worden verkregen in de belastingclaim waarmee de abhouder wordt geconfronteerd bij overdracht van een ab.
Een kapitaalvennootschap wordt jaarlijks belast met vennootschapsbelasting tegen een tarief van maximaal 25%. De hiervoor genoemde achterliggende ab-houder wordt voor zijn inkomen uit ab nog belast tegen een tarief van 25%. De mogelijke vormen van bedrijfsoverdracht zijn afhankelijk van de gekozen structuur.
Indien een natuurlijk persoon de aandelen direct houdt in de vennootschap waarin de onderneming wordt gedreven kan de bedrijfsoverdracht gestalte krijgen door de vennootschap de onderneming te laten verkopen dan wel de aandeelhouder zijn aandelen te laten verkopen. In de eerste situatie blijft er na de overdracht nog een ab-claim rusten op de aandelen in de vennootschap. Normaliter wordt dan geen onderneming meer gedreven in de kapitaalvennootschap.
Als een holdingvennootschap de aandelen in de werkmaatschappij houdt, kan een bedrijfsoverdracht zich voltrekken door middel van een overdracht van de aandelen in de werkmaatschappij, overdracht van de onderneming uit de werkmaatschappij en een verkoop van de aandelen in de holdingvennootschap. Alleen in de laatste situatie treden direct gevolgen op voor de heffing van inkomstenbelasting. In de andere situaties blijft op de aandelen in de holdingvennootschap een ab-claim rusten.
Ongeacht de gekozen structuur leidt een door de kapitaalvennootschap gedane verkoop van de onderneming alleen tot heffing van vennootschapsbelasting. Ook de overdracht van de aandelen in de werkmaatschappij door de holdingvennootschap speelt zich af binnen de vennootschapsbelasting. Een analyse van de belastingclaim bij deze vormen van bedrijfsoverdracht is aan de orde in paragraaf 3.3.2. Daartoe wordt eerst kort ingegaan op de jaarlijkse heffing van vennootschapsbelasting om na te gaan met welke belastingclaim de kapitaalvennootschap wordt geconfronteerd als deze de onderneming overdraagt dan wel de holdingvennootschap de aandelen in de werkmaatschappij overdraagt.
Een ab-houder die zijn aandelen in de holdingvennootschap, dan wel zijn directe belang in de kapitaalvennootschap waarin de onderneming wordt gedreven verkoopt, wordt geconfronteerd met zowel een Vpb-claim als een IB-claim. De Vpb-claim betreft een latente belastingclaim die de waarde van de aandelen beïnvloedt. Deze belastingclaim is afhankelijk van de hoogte van de in de vennootschap(pen) aanwezige stille reserves, fiscale reserves en goodwill. De IB-claim is een acute claim. Deze heffing vormt het onderwerp van paragraaf 3.3.3. Daar wordt eerst aandacht besteed aan de vraag wie kwalificeert als ab-houder. Vervolgens komt de heffing over het inkomen uit ab aan de orde. Het inkomen uit ab bestaat uit reguliere voordelen en vervreemdingsvoordelen. Het is de laatste categorie die van belang is in het kader van bedrijfsoverdrachten. Toch wordt enige aandacht besteed aan de reguliere voordelen omdat deze de uiteindelijke belastingclaim over de vervreemdingsvoordelen beïnvloeden. Het inkomen uit abwordt belast tegen een proportioneel tarief van 25%. Dit tarief is gebaseerd op een benaderde gelijkstelling van abhouders met IB-ondernemers. Rekening houdend met de vennootschapsbelasting die van de kapitaalvennootschap wordt geheven, rust op de ab-houder een gecombineerde druk aan inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting van maximaal 43,75%.1