Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/6.6.1.1.1
6.6.1.1.1 Onbevoegd handelen: géén volmacht
mr. J.E. van Nuland , datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254372:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rapport, p. 99.
Mohr/Meijers 2018, p. 158 schrijven dat de onbevoegd handelende commanditaire vennoot naar geldend recht ingevolge artikel 3:70 BW aansprakelijk wordt jegens de wederpartij en doen dus geen beroep op artikel 7A:1681; een onbevoegd optreden in naam van een ander kan overigens jegens de wederpartij ook een onrechtmatige daad vormen, zie HR 31 januari 1997, NJ 1998, 704, m.nt. Brunner (Globe/Groningen).
HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635, m.nt. Brunner (Ermes c.s./Haviltex).
HR 10 april 1942, NJ 1942, 501; HR 3 december 1971, NJ 1972, 117, m.nt. Scholten (Hotel Jan Luyken), waarover ook Hamers & Van Vliet 2019, p. 104-105.
Vgl. HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521, m.nt. Scholten (Kribbebijter), HR 28 november 2014, JOR 2015, 26, m.nt. Kortmann (Snippers q.q./Rabobank) en HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2217, JOR 2019, 96, m.nt. Biemans (X/Unisphere Holding); zie ook HR 10 januari 1997, NJ 1998, 544, m.nt. Brunner (Praktijkwaarnemer tandarts).
HR 13 maart 2015, NJ 2015, 241, m.nt. Van Schilfgaarde (Carlande); de Werkgroep wijkt, zoals hiervoor uiteengezet, echter bewust af van de huidige regeling, ook voor wat betreft de gewone vennoten.
Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-1 2004/95.
In deze zin ook Boschma & Wezeman 2017, p. 210.
Uit artikel 22 lid 1 vloeit voort dat de commanditaire vennoot in beginsel niet bevoegd is tot het verrichten van rechtshandelingen in naam van de vennootschap. Indien de commanditaire vennoot – zonder daartoe te zijn gevolmachtigd – in naam van de vennootschap rechtshandelingen aangaat, dan raakt de vennootschap niet gebonden. Dat zal slechts anders zijn in geval van bekrachtiging (artikel 3:69 lid 1 BW), toerekenbare schijn van volmachtverlening (artikel 3:61 lid 2 BW) of zaakwaarneming (artikel 6:198 BW). Een regeling betreffende baattrekking (7A:1681 BW) kent het voorstel niet.1 Zoals aangegeven, handelt de commanditaire vennoot naar huidig recht jegens derden steeds onbevoegd, omdat hij de vennootschap niet kan vertegenwoordigen. Hij raakt dan in beginsel persoonlijk gebonden als gevolg van het bepaalde in artikel 7A:1681 BW. Dat zal in de voorgestelde regeling anders zijn. Artikel 7A:1681 BW komt immers te vervallen, terwijl de gevolgen van een onbevoegd handelen in beginsel zullen worden beheerst door artikel 3:70 BW.2
Op grond van artikel 3:70 BW staat hij die als gevolmachtigde handelt jegens de wederpartij in voor het bestaan en de omvang van de volmacht, tenzij de wederpartij weet of behoort te begrijpen dat een toereikende volmacht ontbreekt of de gevolmachtigde de inhoud van de volmacht volledig aan de wederpartij heeft meegedeeld. Dat de (pseudo)gevolmachtigde instaat voor het bestaan van de volmacht, betekent echter niet dat hij gebonden raakt jegens de derde. Het ontbreken van een volmacht leidt tot een garantieverbintenis jegens de wederpartij, inhoudende dat de commanditaire vennoot de volledige schade van de wederpartij dient te vergoeden, die deze laatste door het niet-uitvoeren van de overeenkomst lijdt. De commanditaire vennoot zal de derde financieel in de positie moeten brengen alsof hij wel over een toereikende volmacht zou hebben beschikt. Ik zou menen dat deze vordering zich niet leent voor regres op de beherende vennoten. De commanditaire vennoot voldoet immers geen schuld van de vennootschap, maar een op hemzelf rustende verbintenis. Dat is ook het geval wanneer zijn gebondenheid jegens de wederpartij berust op artikel 7A:1681 BW, omdat dan evenmin sprake is van een schuld van de vennootschap.
Naar huidig recht zal een benadeelde derde aannemelijk moeten maken dat de commanditaire vennoot het bestuursverbod heeft overtreden en hem daarvan een verwijt treft. Hierboven bleek echter dat de vraag óf het bestuursverbod is overtreden, niet steeds eenvoudig is te beantwoorden. Onder de voorgestelde regeling zal de derde evenwel ook het nodige moeten stellen en bewijzen. Vast moet komen te staan dat de commanditaire vennoot als gevolmachtigde is opgetreden, dat hij in die hoedanigheid een overeenkomst van een bepaalde inhoud tot stand heeft gebracht, dat de commanditaire vennoot geen volmacht had en dat de derde hierdoor schade heeft geleden. De derde kan voor wat betreft het bestaan van de volmacht evenwel in beginsel volstaan met de stelling dat een toereikende volmacht ontbreekt. Een en ander zal dienen te worden beoordeeld aan de hand van het Haviltex-criterium.3 Bovendien geldt dat vertegenwoordiging niet uitdrukkelijk hoeft plaats te vinden.4 Daarom zal de vraag of de commanditaire vennoot in naam van de vennootschap heeft gehandeld, afhangen van hetgeen de derde uit de verklaringen en gedragingen van de commanditaire vennoot heeft afgeleid en in de gegeven omstandigheden heeft mogen afleiden.5
Op het eerste gezicht lijkt een onbevoegd handelen van de commanditaire vennoot ten opzichte van de huidige regeling niet tot veel verandering te leiden voor de derde met wie is gehandeld. Linksom of rechtsom krijgt deze derde met de nodige inspanning zijn schade toch wel vergoed. Echter, de hiervoor bedoelde garantieverbintenis ontstaat enkel jegens de derde met wie de commanditaire vennoot onbevoegd heeft gehandeld. Anders dan naar huidig recht leidt het onbevoegd handelen van de commanditaire vennoot dus niet tot hoofdelijke aansprakelijkheid voor alle schulden van de vennootschap, waaronder schulden die voor het onbevoegd handelen zijn ontstaan.6 In geval van onbevoegd handelen kan de commanditaire vennoot onder de voorgestelde regeling dus uitsluitend worden aangesproken door de derde met wie hij heeft gehandeld. Verder kan zich de situatie voordoen dat de commanditaire vennoot in eerste instantie wel over een volmacht beschikte, terwijl deze volmacht ten tijde van het aangaan van de rechtshandeling met de derde is geëindigd. Artikel 3:76 lid 2 BW maakt voor dat geval een uitzondering op de regel van artikel 3:70 BW dat de gevolmachtigde instaat voor zijn volmacht. De gevolmachtigde is dan niet jegens de derde aansprakelijk, indien hij niet wist noch behoorde te weten dat de volmacht was geëindigd. Bovendien raakt ook de vennootschap in beginsel niet gebonden, aangezien sprake is van een onbevoegde vertegenwoordiging. Overigens dient niet al te gemakkelijk te worden aangenomen dat de gevolmachtigde het einde van de volmacht niet behoort te kennen.7 Kan artikel 3:76 lid 2 BW evenwel worden toegepast, dan heeft de derde dus pech.
Opgemerkt zij nog dat artikel 22 enkel ziet op rechtshandelingen, zodat onduidelijk is of de commanditaire vennoot bevoegd is tot het verrichten van andere (externe), feitelijke bestuursdaden. Naar huidig recht kunnen bepaalde interne bemoeienissen met de bedrijfsvoering leiden tot een overtreding van het bestuursverbod met aansprakelijkheid van de commanditaire vennoot tot gevolg. Nu hiervoor reeds bleek dat de commanditaire vennoot onder de nieuwe regeling kan worden belast met het bestuur van de vennootschap, zou ik menen dat daarmee de discussie over de interne zeggenschap van de commanditaire vennoot wordt beslecht. Externe bestuursdaden die zich niet uiten in een rechtshandeling kunnen naar mijn mening onder de voorgestelde regeling – en anders dan naar huidig recht – niet leiden tot aansprakelijkheid van de commanditaire vennoot. Ik gaf reeds aan dat wanneer een antimisbruikkarakter aan een bepaling wordt toegedicht ter zake het inzetten van stromannen, ook interne overheersende invloed met aansprakelijkheid moet worden bedreigd, wil een bepaling preventief kunnen werken. De voorgestelde regeling doet dat niet, maar beperkt zich tot externe handelingen die tevens rechtshandelingen moeten zijn. Feitelijk handelen valt niet onder de reikwijdte van artikel 22. Mijns inziens hoeft niet te worden gevreesd dat de commanditaire vennoot daarmee vrij spel heeft. Ik kan mij namelijk voorstellen dat de besturende commanditaire vennoot die schuldeisers benadeeld, op gelijke wijze als bestuurders van kapitaalvennootschappen op grond van artikel 6:162 BW zou kunnen worden aangesproken.8
De Werkgroep beoogt evident een aanzienlijke beperking van de aansprakelijkheid van de commanditaire vennoot ten opzichte van de huidige regeling. In geval van onbevoegd handelen door de commanditaire vennoot geldt in de voorgestelde regeling de beperkte aansprakelijkheid als uitgangspunt. Slechts de benadeelde derde kan zich tot de commanditaire vennoot wenden, zodat deze laatste de thans als draconisch beschouwde gevolgen van artikel 21 WvK niet hoeft te vrezen. Mijns inziens gaat er dan nog steeds een preventieve werking uit van de aansprakelijkheid, zij het dat de gevolgen van aansprakelijkheid mij in algemene zin billijker voorkomen.