Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.5.6.4
12.5.6.4 Conclusie en aanbevelingen
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491491:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onderdeel 12.3.
Voor mijn analyse op dit punt verwijs ik naar onderdeel 11.4.4.3.
Er wordt dus aangesloten bij art. 33b, lid 5, Wet VPB 1969 jo. art. 13c, lid 2, onderdeel a, Wet VPB 1969 (wettekst 2011).
Vgl. de regeling in art. 25b IW 1990, zoals besproken in onderdeel 11.6.2.2. Zie ook onderdeel 12.5.7. Art. 25b IW 1990 is beperkt tot situaties waarin de belastingschuldige in een EU-lidstaat of EER-land is gevestigd. Mijns inziens is het onwenselijk die beperking over te nemen in de hier bedoelde situatie. Het is naar mijn mening voldoende te eisen dat de belastingschuldige is gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden die voortvloeien uit belastingen naar de winst.
Eerder in dit onderzoek ben ik tot de conclusie gekomen dat het onderscheid tussen de wettelijke doorschuifregeling en de doorschuifregeling op verzoek dient te worden opgeheven.1 Dit betekent dat ook standaardvoorwaarde 1 dient te vervallen. Wat daarin op het punt van onderlinge vorderingen en schulden is bepaald, dient te worden overgeheveld naar art. 14a Wet VPB 1969 (codificatie standaardvoorwaarde). In de toelichting bij deze wetgevingsexercitie dient duidelijkheid te worden verschaft over de wijze waarop met onzakelijke leningen wordt omgegaan.2 Ook hetgeen in standaardvoorwaarde 1, lid 1 is voorgeschreven met betrekking tot situaties waarin de splitser een belang houdt in de verkrijger, dient te worden overgeheveld naar art. 14a Wet VPB 1969. Hetzelfde geldt voor standaardvoorwaarde 1, lid 3, zij het dat de reikwijdte daarvan moet worden beperkt tot gevallen waarin de verkrijgende rechtspersoon een buiten Nederland gevestigd verbonden lichaam is van de splitsende rechtspersoon.3 De in dit onderdeel besproken regels kunnen tot gevolg hebben dat de splitsingspartners bij de fiscaal gefaciliteerde splitsing toch vennootschapsbelasting zijn verschuldigd. Gelet op de fiscaal-theoretische toets pleit ik ervoor de splitsingspartners in de gelegenheid te stellen deze belasting gespreid te betalen.4 Dat is namelijk minder belemmerend dat onmiddellijke betaling.