Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/14.4.4:14.4.4 Geen zelfdefinitie en geen toepassing van het kerkrecht
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/14.4.4
14.4.4 Geen zelfdefinitie en geen toepassing van het kerkrecht
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS458846:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Arnhem 30 januari 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BC3090, JOR 2008/68 (Heilig Land Stichting).
De RKK gebruikt de term stichting ook in niet-civielrechtelijke zin.
Rb. Arnhem 30 januari 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BC3090, JOR 2008/68 (Heilig Land Stichting).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Er zijn ook uitspraken waarbij de rechter de zelfdefinitie van het kerkgenootschap niet erkent omdat hij oordeelt dat het statuut niet van toepassing is. Er is dan geen sprake van een beperking van de vrijheid die volgt uit het statuut (inrichtingsvrijheid) maar van het simpelweg niet toepassen van het statuut. Gewezen kan worden op het in paragraaf 14.3 behandelde CGB-oordeel over het pensioenfonds dat in zijn pensioenreglement verzekerden uitsloot van bepaalde pensioenrechten indien er sprake was van een samenlevingsvorm die indruiste tegen de kerkelijke normen. Doordat de CGB oordeelde dat het pensioenfonds geen zelfstandig onderdeel was, viel de ongelijke behandeling van het pensioenfonds buiten de inrichtingsvrijheid en werd het niet opgevat als een uiting of gedraging die godsdienstig was of kan worden afgeleid uit godsdienst.
Ook kan de uitspraak van Rechtbank Arnhem in 2008 over de zaak van de Heilig Landstichting worden genoemd. Daarin werd in weerwil van de statuten een stichting niet als zelfstandig onderdeel gekwalificeerd en werden door de rechter civielrechtelijke normen toegepast.1 Het geschil ging over een identiteitsverandering van het Bijbels Openluchtmuseum waarmee de bisschop van Den Bosch zich niet kon verenigen. De besturen van de kerkelijke stichtingen2 (geen stichtingen naar civielrecht!) Heilig Land Stichting en de Stichting Eerste Hulp Stichting der Heilig Landstichting die het feitelijk beheer hadden over het museum, besloten niet langer alleen aandacht te besteden aan het christendom en jodendom maar ook aan de islam. Op die manier zou de overheidssubsidie worden veiliggesteld die noodzakelijk was voor het behoud van het museum. Daartoe werd het museum voor vele jaren in handen gegeven van een zuiver privaatrechtelijke stichting waardoor de invloed van de kerk op de exploitatie van het museum feitelijk verloren zou gaan. Dit liet de bisschop niet over zijn kant gaan en hij beriep zich ten overstaan van de civiele rechter, op zijn uit het katholieke kerkrecht (Codex Juris Canonici) stammende recht, om onder andere de statuten te interpreteren en uit te leggen. De bisschop eiste onder andere dat het besluit tot oprichting van de privaatrechtelijk stichting op grond waarvan ‘de bisschop wordt uitgerangeerd’ en de ‘banden met de R-K kerk worden afgeschud’ nietig werd verklaard.
In de statuten van Heilig Land Stichting en de Stichting Eerste Hulp Stichting der Heilig Landstichting staat expliciet dat beide stichtingen zelfstandige onderdelen zijn van het R-K kerkgenootschap en rechtspersoonlijkheid bezitten op grond van art 2:2 BW. Toch meende de rechter dat de stichtingen niet geregeerd worden door het kerkrecht maar door burgerlijk recht. Hij komt tot deze opmerkelijke conclusie met de redenering dat beide stichtingen door private personen zijn opgericht en daarom private kerkelijke stichtingen oftewel burgerrechtelijke kerkelijke stichtingen zijn. Zoals ook Blanco Fernandez opmerkt in zijn noot, gaat de rechter met deze uitleg voorbij aan de statutaire bepalingen. Volgens Blanco Fernandez wijst alles in deze zaak erop dat hier het kerkrecht van toepassing zou moeten zijn. Zo gingen partijen bij de totstandkoming van de rechtspersonen uit van het kerkrechtelijke karakter van de stichtingen, en blijkt uit de notariële aktes de kerkrechtelijke persoonlijkheid van de stichtingen.3
In enkele gevallen, zoals in de CGB-zaak over het pensioenfonds en in de zaak van de Heilig Landstichting gaat de rechter in zijn beoordeling van het geschil voorbij aan het statuut. Het gevolg is dan dat uitingen en gedragingen niet kunnen worden gekwalificeerd als onderdeel van de inrichtingsvrijheid wat met zich brengt dat het verband tussen de betreffende uiting en gedraging en de godsdienst van het kerkgenootschap of de instelling niet wordt erkend. Waarom de rechter in de bovengenoemde gevallen voorbij gaat aan het statuut kunnen we niet uit de uitspraken opmaken. Mogelijk dat hij in die gevallen vindt dat de civielrechtelijke normen meer bescherming verlenen aan de ‘zwakkere’ partij.