Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/6.2.3
6.2.3 Pogingen om een registerstelsel in te voeren na de revolutie
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS414671:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Blum 1913, p. 201. In een cahier uit Orleans stond de wens om slechts speciale pandrechten op onroerende zaken toe te staan en het generale pandrecht af te schaffen. Zie: Blum 1913, p. 202.
Van den Berg 1995, p. 1-21; Van der Burg 2009, p. 92; Lokin & Zwalve 2014, p. 226.
Besson 1891, p. 84; Blum 1913, p. 205. Laurent 1878 XXIX, nr. 26; XXX, nr. 168.
Besson 1891, p. 83; Sagnac 1898, p. 205.
Hoffman, Postel-Vinay & Rosenthal 2000, p. 173 e.v.
Hoffman, Postel-Vinay & Rosenthal 2000, p. 209 e.v.
Fenet 1836, I, p. XXXVI.
Van der Burg 2009, p. 92; Lokin & Zwalve 2014, p. 233.
Van der Burg 2009, p. 93; Lokin & Zwalve 2014, p. 234.
Boek III, titel XII, art. 21-26, in: Fenet 1836, I, p. 97.
Boek III, titel XII, art. 5, in: Fenet 1836, I. p. 96.
Fenet 1836, I, p. XLVII. Volgens Bart hadden politieke overwegingen mede tot de afwijzing geleid. Bart 1998, p. 442.
Boek III, titel XVII, art. 289, in: Fenet 1836, I, p. 138.
Boek III, titel XVII, art. 292, in: Fenet 1836, I, p. 138.
Fenet 1836, I, p. XLVII. Vgl. Lokin & Zwalve 2001, p. 189.
Fenet 1836, I, p. 326.
Kort voor de revolutie uitte de rechtspraktijk de wens om meer publiciteit aan de vestiging van pandrechten op onroerende zaken te verbinden.1 Zij deed dat nadat koning Lodewijk XVI in 1789 de bevolking had opgeroepen om aanbevelingen aan de Staten-Generaal te doen om het recht te hervormen, de zogenaamde ‘cahiers de doléances’.2 Later dat jaar brak de Franse Revolutie uit en raakten de hervormingen in een stroomversnelling. De Assemblée Constituante erkende de meerwaarde van het systeem van nantissement als wijze van overdracht en bezwaring, ook al kwam het voort uit het feodale stelsel. De Assemblée schafte de nantissement weliswaar in 1790 af omdat zij het burgerlijk recht wilde zuiveren van rechtsfiguren die voortkwamen uit het feodale stelsel, maar behield alle materiële kenmerken van de regeling.3 In de pays de nantissement bleef de inschrijving van overdracht en bezwaring van onroerende zaken verplicht en ontdeed de Assemblée de rechtsfiguur slechts van zijn naam. Voor de rest van Frankrijk veranderde er vooralsnog niets en liet men het edict van 1771 op hoofdlijnen ongewijzigd. In de tussentijd had de Assemblée al aan verschillende commissies de opdracht gegeven om een regeling voor overdracht en bezwaring van onroerende zaken op te stellen met meer publiciteit.4 De Parijse praktijk waarin notarissen over betrouwbare informatie over marktpartijen beschikten, functioneerde op dat moment niet meer naar behoren. De notarissen waren dankzij de inflatie als gevolg van de Revolutie (en de daaraan voorafgaande financiële crisis)5 niet meer in staat gebleken om kredietvragers en kredietverstrekkers bij elkaar te krijgen.6
Verder formuleerde de Assemblée het doel om het burgerlijk recht voor het gehele koninkrijk te codificeren.7 Voordat zij hieraan kon beginnen, werd in 1792 de eerste Franse Republiek opgericht en werd de Assemblée vervangen door de Convention nationale.8 De Convention gaf de opdracht om een codificatie van het gehele burgerlijk recht op stellen aan een commissie onder leiding van Jean-Jacques-Régis de Cambacérès (1753-1824).9 Zij presenteerde in 1793 haar ontwerp.
Het ontwerp van Cambacérès kende twee vernieuwingen ten opzichte van het droit commun français. In de eerste plaats voorzag het ontwerp in de instelling van een register om pandaktes in te schrijven.10 In de tweede plaats moest het generale pandrecht niet alleen alle onroerende zaken bezwaren, maar ook alle roerende zaken.11 Tot dit ontwerp waren de hervormingen beperkt tot het pandrecht op onroerende zaken.
De Convention vond het ontwerp te ingewikkeld voor de burger en gaf Cambacérès’ commissie de opdracht om een nieuw ontwerp te presenteren.12 Een jaar later, in 1794, presenteerde de commissie haar tweede ontwerp. Artikel 289 bepaalde dat pandaktes moesten worden ingeschreven in een register.13 Werd de pandakte binnen een maand ingeschreven in het register nadat zij was opgesteld, dan bepaalde het moment waarop de akte was opgesteld de rang van het pandrecht. Schreef men de akte na een maand in, dan nam het pandrecht rang in vanaf het moment van inschrijving van de pandakte. In tegenstelling tot het eerste ontwerp, kende het tweede ontwerp geen stil pandrecht op roerende zaken meer.14 De Convention vond dit tweede ontwerp echter te kort en te revolutionair.15 Cambacérès’ commissie maakte nog een derde ontwerp, maar sloot ten aanzien van de regeling van de regeling van het pandrecht aan bij een wet die in de tussentijd door een andere commissie was opgesteld, de Loi du 9 Messidor an III (1795).16