Grensoverschrijdende overgang van onderneming
Einde inhoudsopgave
Grensoverschrijdende overgang van onderneming (MSR nr. 69) 2015/7.5.3:7.5.3 Jurisprudentie
Grensoverschrijdende overgang van onderneming (MSR nr. 69) 2015/7.5.3
7.5.3 Jurisprudentie
Documentgegevens:
Mr. I.A. Haanappel-van der Burg, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
Mr. I.A. Haanappel-van der Burg
- JCDI
JCDI:ADS439523:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Mij is slechts één zaak met betrekking tot grensoverschrijdende overgang van onderneming in het Verenigd Koninkrijk bekend, de zaak Holis Metal Industries Ltd v GMB en Newell Ltd.1 Het Employment Appeal Tribunal (hierna: EAT) had in de zaak Atos Origin UK Ltd v AMICUS2 de mogelijkheid de grensoverschrijdende overgang van onderneming van een IT helpdesk van Runcorn, Engeland naar Ierland te beoordelen, echter de IT helpdesk werd niet beschouwd als identificeerbare economische eenheid, zodat aan de vraag naar grensoverschrijdende overgang van onderneming niet werd toegekomen.3
In de zaak Holis Metal Industries Ltd v GMB en Newell Ltd had Newell Ltd (hierna: Newell) een fabriek in Tamworth (Verenigd Koninkrijk) waar men zich bezig hield met de fabricage van gordijnrails en roedes, alsmede met de fabricage van jaloezieën. Newell Ltd had 180 werknemers in dienst, waarvan 76 werknemers werden vertegenwoordigd door GMB, een vakbond. Newell Ltd erkende GMB voor de collectieve onderhandelingen. Op 15 februari 2006 werd de OR van Newell geïnformeerd dat Holis Metal Industries Ltd (hierna: Holis), een onderneming gevestigd in Israël, geïnteresseerd was de fabricage van gordijnrails en roedes over te nemen (welk onderdeel van Newell zou worden gesloten), maar niet de fabricage van jaloezieën. Op 24 februari 2006 informeerde een vertegenwoordiger van Holis de werknemers dat de 107 werknemers die werkzaam waren voor de fabricage van gordijnrails en roedes vanwege een overgang van onderneming per 9 april 2006 zouden overgaan naar Holis in Israël. Bij weigering van de werknemers mee over te gaan zouden de werknemers worden ontslagen wegens de overgang. Vanaf 9 april 2006 is de fabricage van gordijnrails en roedes overgedaan aan Holis, waarna de fabricage is verplaatst naar de fabrieken in Israël. Er zijn enkele machines overgegaan naar Israël. Geen van de 107 werknemers werkzaam bij de fabricage van gordijnrails en roedes wilde mee overgaan naar Holis en zij zijn kort na de overgang van onderneming door Holis ontslagen. Vanwege administratieve redenen zijn de schadevergoedingen betaald door Newell.
Enkele maanden na de overgang van onderneming diende GMB bij het Employment Tribunal een klacht in tegen Newell en Holis vanwege nalatigheid te informeren en consulteren krachtens artikel 13 TUPE en de nalatigheid te consulteren krachtens artikel 188 TULRCA 1992. Holis verzocht vervolgens om een pre-hearing review met het verzoek de vorderingen van GMB tegen Holis door te halen omdat TUPE niet van toepassing zou zijn op een overgang van onderneming waarbij de onderneming na de overgang naar Israël is verplaatst. Het Employment Tribunal heeft de argumenten van GMB en Newell dat TUPE wel van toepassing was overgenomen vanwege de duidelijke bewoordingen van artikel 3 TUPE 2006 met betrekking tot de territoriale werkingssfeer. Omdat het overgedragen onderdeel van Newell direct voor de overgang was gelegen in het Verenigd Koninkrijk is TUPE 2006 van toepassing. Het Employment Tribunal heeft geweigerd de vordering van GMB tegen Holis door te halen en Holis is tegen dit oordeel van het Employment Tribunal in beroep gegaan bij het EAT.
Het EAT heeft in hoger beroep over het gebrek aan zaken omtrent grensoverschrijdende overgang van onderneming overwogen:
‘The lack of cases in this area may suggest that companies proceed on the basis that the 2006 Regulations do not apply either because of extra territoriality or because of the identity issue and they prefer to treat the UK based workforce as redundant with the unions and employees preferring to concentrate efforts on securing the best financial deal for their future.’
Het EAT heeft in hoger beroep geoordeeld:
‘I am persuaded that the wording of both the ARD and Regulation 3 is precise in setting the application of the regulation to transfers of undertakings situated immediate before the transfer in the UK. Set against the purpose of protecting the rights of workers in the event of change of employer it seems to me that a purposeful approach requires that those employees should be protected even if the transfer is to be across borders outside the EU. It is not a case of either the UK or the EU seeking to legislate outside their jurisdictions without good reason. I am satisfied that the pre-transfer requirement of location in the UK acts as a significant limitation which should that (sic) not offend against the comity of notions. (…)’
Volgens het EAT zijn de bewoordingen van de richtlijn overgang van onderneming en artikel 3 TUPE 2006 duidelijk en is TUPE 2006 van toepassing zodra de onderneming die wordt overgedragen direct voor de overgang in het Verenigd Koninkrijk gevestigd was.
‘Further I regard it also significant that regulation 3(4) makes it clear that an international element can be governed by TUPE and I am also satisfied that the service provision changes brought into the 2006 regulations, where again the only limitation is that there should have been an organised group of employees situated in Great Britain immediately before the service provision change, is clearly aimed at the modern outsourcing of service provision, particularly call centres, whether inside or outside the EU.
(…)
The authors and commentators to whom I have been referred do almost universally appear to accept that potentially TUPE and the ARD does apply to transfers of entities outside the EU. In conclusion therefore I am satisfied that the combined effect of the wording of TUPE/ARD together with the weight of European jurisprudence and academic/practitioner or commentary is such that I am satisfied that TUPE had the potential to apply to a transfer from the UK to a non-EU entity in the event that on the transfer the undertaking did not remain in the jurisdiction.’
Het EAT was derhalve van mening dat TUPE van toepassing kon zijn op een overgang van onderneming vanuit het Verenigd Koninkrijk naar een derde land, ook als de onderneming welke overging niet in het Verenigd Koninkrijk bleef.
In deze zaak, die zag op de externe werking van de richtlijn overgang van onderneming, werd deze externe werking gewaarborgd door het feit dat TUPE als overriding statute wordt beschouwd.