Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.4.3
10.4.4.3 Toets aan het toetsingskader en aanbevelingen
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491537:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Als de inspecteur ten onrechte een negatieve beschikking afgeeft, kan worden verzocht om een schadevergoeding. Zie daarover HR BNB 2011/154. Uit die zaak kan worden afgeleid dat het wat betreft de te vergoeden schade gaat om het eventuele nadeel dat is toe te rekenen aan het niet of vooralsnog niet met voorafgaande zekerheid over de toepassing van de betreffende splitsingsfaciliteit kunnen uitvoeren van de beoogde splitsing.
Zie HvJ EU, C-603/10 (Pelati), NTFR 2012/2764, punt 23 en HvJ EU, C-14/16 (Euro Park Service), V-N 2017/17.12, punt 36.
Zie hierover ook Simonis & Van der Velden in: Simonis e.a. 2019, onderdeel 13.2.9, p. 323.
Met deze zekerheid-vooraf-mogelijkheden wordt recht gedaan aan het rechtszekerheidsbeginsel. Belastingplichtigen kunnen namelijk vóór het uitvoeren van rechtshandelingen zekerheid verkrijgen over de toepassing van de antimisbruikbepaling en daarmee over hun fiscale rechtspositie. Bovendien staan rechtsmiddelen open tegen een negatieve beschikking.1 Ik zie geen enkele spanning met de fiscaal theoretische toets. Wat betreft de toets aan hoger recht moet worden geconstateerd dat de Fusierichtlijn geen voorschriften bevat met het oog op de toekenning van de in die richtlijn neergelegde belastingvoordelen. Het is dan aan elke lidstaat om zelf procedures vast te leggen. Die procedures mogen voor situaties die onder de Fusierichtlijn vallen niet ongunstiger zijn dan de procedures die voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel). Bovendien mogen de procedures de uitoefening van de regelingen die zijn gebaseerd op de Fusierichtlijn in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).2 De hiervóór besproken nationale zekerheid-vooraf-mogelijkheden voldoen aan deze eisen. Splitsingen die binnen de werkingssfeer van de Fusierichtlijn vallen, worden namelijk hetzelfde behandeld als zuiver nationale splitsingen. De nationale regelingen maken het bovendien niet lastig(er) om de splitsingsfaciliteiten toe te passen. De fiscaaltechnische toets eist evenwel dat de tekst van art. 14a, lid 8, Wet VPB 1969 wordt verduidelijkt. Er staat slechts dat het verzoek door de splitsende rechtspersoon moet worden ingediend bij de inspecteur. Het zal hier gaan om de bevoegde inspecteur, te weten de inspecteur die is belast met de aanslagregeling van de splitser. Voor de duidelijkheid en daarmee de rechtszekerheid zou dit in de wettekst kunnen worden vastgelegd.3 Wat betreft de zekerheid-vooraf-mogelijkheid in art. 3.56, lid 7, Wet IB 2001 is duidelijk aan wie een dergelijk verzoek moet worden gericht, namelijk aan de inspecteur die is belast met de aanslagregeling van de splitsende rechtspersoon. Een verzoek ex art. 14a, lid 9, Wet VPB 1969 kan worden gedaan door zowel de gesplitste rechtspersoon als de verkrijgende rechtspersoon. Op grond van een letterlijke lezing van deze bepaling is niet vereist dat de verzoekende rechtspersoon ook de rechtspersoon is ten aanzien waarvan het voornemen bestaat de aandelen te vervreemden. Het is de vraag of dit ook is beoogd. Dit punt verdient opheldering. Verder maakt art. 14a, lid 9, Wet VPB 1969 niet duidelijk bij welke inspecteur het verzoek moet worden gedaan. Tot 2001 bevatte art. 14a, lid 11, Wet VPB 1969 een vergelijkbare bepaling. Daarin stond dat het verzoek moest worden ingediend bij de inspecteur die belast is met de aanslagregeling van de splitsende rechtspersoon. De toevoeging ‘die belast is met de aanslagregeling van de splitsende rechtspersoon’ ontbreekt in het huidige art. 14a, lid 9, Wet VPB 1969. De wetgever heeft niet toegelicht waarom dat tekstdeel niet is opgenomen in de huidige wettekst.4 Met het oog op de gewenste duidelijkheid en daarmee de rechtszekerheid dient te worden verduidelijkt welke rechtspersoon in welk geval het verzoek bij welke inspecteur moet indienen.5