Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland
Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/9.2.6.3:9.2.6.3 De bevoegdheid van de rechter om informatie te vragen
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/9.2.6.3
9.2.6.3 De bevoegdheid van de rechter om informatie te vragen
Documentgegevens:
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS450116:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Beslagsyllabus juni 2011 onder A. Voorwaarden conservatoir beslag, p. 4-5.
Van der Kuilen en Vroegrijk 2011.
Zie par. 4.5.1.
Meijsen & Jongbloed 2011.
Stein & Westenberg 2012.
Vgl. HR 14 juni 1996, rov. 3.3.LJN ZC2149, NJ 1997, 481, m.nt. H.J. Snijders (De Ruiterij/MBO-Ruiters).
Lankhorst 2011.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de Beslagsyllabus juni 2011 zijn, ten behoeve van het summiere onderzoek van de voorzieningenrechter van het in artikel 700 lid 2 Rv genoemde ‘door de verzoeker ingeroepen recht’, voorwaarden opgenomen met betrekking tot het vermelden en overleggen van gegevens en bescheiden.1 Zo dient te worden vermeld of sprake is van:
a Een vordering uit overeenkomst – onbetaalde facturen
In dit geval dient in het beslagrekest te worden opgenomen:
een summiere omschrijving van geleverde goederen of diensten;
vermelding van de door de schuldenaar tegen de vordering aangevoerde verweren en de gronden daarvoor;
het overleggen van een factuuroverzicht met factuurnummers, data en bedragen;
het overleggen van de aanmaningen (als dat er veel zijn kan in plaats daarvan een overzicht van de aanmaningen worden overgelegd).
b Een vordering uit overeenkomst – overig
In het beslagrekest dient het volgende te worden opgenomen:
een voldoende feitelijke omschrijving van de vordering en de grondslag daarvan;
vermelding van de door de schuldenaar tegen de vordering aangevoerde verweren en de gronden daarvoor;
het overleggen van het contract en de ingebrekestelling. Indien geen contract is opgesteld, dient in het rekest te worden uiteengezet wat de (mondelinge) overeenkomst inhoudt.
c Een vordering uit onrechtmatige daad of op andere grondslag
een omschrijving van de grondslag van de vordering (bijvoorbeeld: onrechtmatige daad, toerekenbaarheid, causaliteit en schade);
vermelding van de door de schuldenaar tegen de vordering aangevoerde verweren en de gronden daarvoor;
het overleggen van de relevante bewijsstukken (voor zover noodzakelijk voor een summiere beoordeling) en de aansprakelijkstelling.
In een artikel naar aanleiding van de publicatie van het Research Memorandum hebben Van de Kuilen en Vroegrijk betoogd dat sommige aanpassingen in de Beslagsyllabus van juni 2011 op gespannen voet zouden staan met de wet.2 Zij doelen hiermee op de wijze waarop in de rechtersregeling in de Beslagsyllabus van juni 2011 invulling wordt gegeven aan het summiere onderzoek van artikel 700 lid 2 Rv. De stelling heeft aldus betrekking op de beperking van de beslissingsruimte van de rechter doordat een bepaling in een rechtersregeling niet in strijd mag zijn met (hogere) rechtsregels, waarover eerder al in het hoofdstuk over rechtersregelingen en de Beslagsyllabus werd gesproken. Daar kwam ook aan de orde dat bepalingen in een rechtersregeling betrekking hebben op de invulling van een bepaalde vorm van beslissingsruimte, die de rechter heeft ten aanzien van de behandeling of beslissing van zaken. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van ruimte voor het vastleggen van nadere invulling van beleids- of interpretatieruimte bestaat geen nadere regelgeving.3 Van de Kuilen en Vroegrijk merken terecht op dat zowel de wet, als de parlementaire geschiedenis niet nader toelichten wat onder ‘summier onderzoek’ moet worden verstaan. Of de voorzieningenrechter daarbij, zoals de parlementaire geschiedenis aangeeft, in de regel op de juistheid van de in het rekest verstrekte gegevens mag afgaan, staat hier naar mijn idee los van.
In een naschrift bij het voornoemde artikel hebben Jongbloed en ik betoogd dat het, bij gebreke aan een strakke wettelijke definitie van ‘summier’, aan de voorzieningenrechter is om nadere invulling te geven aan dit begrip. Bovendien is van belang dat naast titel 3 van Boek 3 Rv ook titel 1 van boek 1 Rv op de beoordeling van beslagrekesten van toepassing is. Zo geven de artikelen 21 en 22 Rv in onderlinge samenhang op zichzelf de voorzieningenrechter reeds de mogelijkheid om inlichtingen te vragen.4
Ik meen dat het binnen de bevoegdheid van de rechter ligt om te bepalen welke informatie deze nodig acht om een beslagverzoek te kunnen beoordelen, en hoe hij in deze informatievoorziening voorziet. Zo kan de rechter ook steeds besluiten om de verzoeker (telefonisch) te (doen) horen en/of daarbij aanvullende informatie te vragen, dan wel besluiten om beide partijen ter zitting te horen, alvorens tot besluitvorming over te gaan. Geen bepaling staat in de weg aan de mogelijkheid voor de voorzieningenrechter om op voorhand te verzoeken bepaalde informatie in het rekest te vermelden, dan wel bepaalde documenten bij het rekest te voegen.
Ook Stein en Westenberg hebben de stelling opgeworpen dat het met relevante (bewijs)documenten onderbouwen van het beslagrekest geen steun in de wet zou vinden. Het zou voldoende zijn als de stellingen aannemelijk worden gemaakt.5 Nu komt het mij voor, dat ook het omgekeerde kan worden gesteld: in de wet of andere regelgeving is geen steun te vinden voor de stelling dat de voorzieningenrechter geen informatie ter onderbouwing van het beslagrekest zou mogen vragen. Bovendien heeft voor hetgeen onder ‘het aannemelijk maken van stellingen’ moet worden verstaan, hetzelfde te gelden als voor ‘summier onderzoek’: wat hier onder moet worden verstaan is ter beoordeling aan de voorzieningenrechter. Mede van belang is hierbij naar mijn idee, dat in het geval van een beslagrekest (op grond van reflexwerking van het opheffingskortgeding), tevens te gelden heeft ‘dat de rechter evenwel zal hebben te beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd (…).’6 Ook in een opheffingskortgeding is (summiere) onderbouwing met bewijsmateriaal dus aan de orde, opdat de voorzieningenrechter de aannemelijkheid van stellingen kan beoordelen. Het begrip ‘summiere beoordeling’ zelf heeft betrekking op de aard van de procedure van verlofverlening: er moet binnen zeer korte tijd, op basis van informatie die in beginsel eenzijdig wordt aangereikt, tot een oordeel worden gekomen. De in het begin van deze paragraaf genoemde gegevens dienen naar mijn oordeel het summiere onderzoek van artikel 700 lid 2 Rv, waarbij het de voorzieningenrechter vrij staat om te bepalen dat deze in het beslagrekest dienen te worden vermeld dan wel daarbij te worden gevoegd.
Lankhorst stelt zich, anders dan Van de Kuilen en Vroegrijk en Stein en Westenberg, op het standpunt dat het zwaardere inhoudelijk onderzoek in het kader van artikel 700 lid 2 Rv, ‘naar mag worden aangenomen, nog binnen de bandbreedte van het wettelijke vereiste ligt’.7