Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/2.6.3
2.6.3 Oratie Maeijer
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS387022:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In de eigen woorden van Maeijer: “Mijn fascinatie voor het ondernemingsrecht was eigenlijk pas ontstaan na mijn benoeming tot hoogleraar in 1963 bij de voorbereiding van mijn inaugurale rede over het belangenconflict in de NV en de bestudering van de op dit onderwerp betrekking hebbende jurisprudentie. Voordien wist ik weinig of niets van het ondernemingsrecht. Ik was gepromoveerd op een puur civielrechtelijk onderwerp, namelijk over matiging van schadevergoeding.” Zie W.M.T. Keukens & M.C.A. van den Nieuwenhuijzen, ‘Nijmegen vs. Tilburg: tussen rechtspersoon en onderneming (interview met prof. mr. J.M.M. Maeijer en prof. mr. M.J.G.C. Raaijmakers)’, AAe 2007, p. 334.
In een interview uit 2006 (opgenomen in de bundel Meesterlijk Nijmegen uit 2008) verwoordde Maeijer dit als volgt: “Daarna ben ik maar eens begonnen om na te denken over het onderwerp van mijn inaugurale rede. Löwensteyn was gepromoveerd op het bestuur van de naamloze vennootschap. Ik heb dat boek doorgenomen en kruisjes gezet bij de belangrijkste arresten. Ik dacht als ik die arresten nou eens goed analyseer, misschien dat ik daarmee dan een stukje verder kom.” Zie C.D.J. Bulten, L.T.J.M. Hermans-Brand & C.J.H. Jansen, ‘Het leven is goed: interview met prof. mr. J.M.M. Maeijer’, in C.D.J. Bulten, C.J.H. Jansen & G. Van Solinge (reds.), Verspreide geschriften van J.M.M. Maeijer, Van der Heijden-reeks nr. 100, Deventer: Kluwer 2009, p. 31.
M.M. Mendel, Het vennootschappelijk belang, mede in concernverband beschouwd, oratie Leiden 1989, Deventer: Kluwer 1989, p. 10-11.
Ter illustratie zij gewezen op de laatste bewerking van de hand van Maeijer van het deel van de Asser-serie over de N.V. uit 2000, waarin over het onderwerp vennootschappelijk belang grotendeels dezelfde visie wordt gegeven als die in Maeijer’s oratie uit 1964. Zie Asser/ Maeijer 2-III, Vertegenwoordiging en rechtspersoon: de naamloze en besloten vennootschap, bewerkt door J.M.M. Maeijer, Deventer: Kluwer 2000, nr. 293. Zie voorts L. Timmerman, ‘Prof J.M.M. Maeijer; jurist en mens van longue durée’, RM Themis 2005, p. 145 en noot 29.
Maeijer 1964, p. 141.
Ibid, p. 142.
Voordracht M.G. Bregstein in Handelingen NJV 1953, p. 142: “Ik maak zelfs bezwaar tegen de identificatie, die Van der Grinten suggereert, tussen het belang der vennootschap en het belang der aandeelhouders. De N.V. is iets meer dan haar aandeelhouders. Het bestuur heeft een verdergaande verantwoordelijkheid dan het dienen van het belang der aandeelhouders.”
Maeijer 1964, p. 143.
Ibid, p. 136.
Ibid.
Ibid, pp. 143 en 145-146. Eenzelfde vereenvoudigde weergave van Löwensteyn’s opvattingen ter zake vindt men later bij Mendel 1989, p. 6, waarin zijn positie kortheidshalve tot ‘aandeelhoudersbelang’-opvatting werd gereduceerd.
Ibid, p. 145 en noot 24 (verwijzend naar Handboek Van der Grinten 1962, nr. 333).
Ibid.
Zie bijvoorbeeld de wending van Van der Grinten ter zake van het instructierecht van aandeelhouders, supra noot 93.
Maeijer 1964, p. 143 en noot 15 (verwijzend naar E.M. Meijers, Algemene leer van het Burgerlijk Recht deel 1: de algemene begrippen van het Burgerlijk Recht, Leiden: Universitaire pers 1948, pp. 183, 192 en 198).
Maeijer 1964, p. 144.
Van der Grinten 1952, p. 341.
Maeijer 1964, p. 152.
HR 13 februari 1942, NJ 1942, 360 (Baus/De Koedoe).
HR 30 juni 1944, NJ 1944, 465 (Wennex).
HR 13 november 1959, NJ 1960, 472 (noot L.J. Hijmans van den Berg bij NJ 1960, 473),AAe 1960, 55 m.nt. W.C.L. van der Grinten (Distilleerderij Melchers).
HR 19 februari 1960, NJ 1960, 473 m.nt. L.J. Hijmans van den Bergh (Aurora).
Over deze arresten is uitgebreid geschreven door Brenninkmeijer in zijn dissertatie over stemovereenkomsten. Zie A.M. Brenninkmeijer, Stemovereenkomsten van aandeelhouders, diss. Nijmegen 1973, Van der Heijden-reeks nr. 8, Deventer: Kluwer 1973, p. 79-90. Zie voorts Handboek Van der Grinten 1962, nr. 217.1.
Maeijer 1964, p. 153.
Maeijer 1964, p. 142. 158. E. Bloembergen, De Naamlooze Vennootschap in een tijd van ordening, diss. Utrecht 1943, Utrecht: H. de Vroede 1944. Het proefschrift van Bloembergen is later onder de aandacht gebracht en besproken door Slagter. Zie W.J. Slagter, ‘Het vennootschapsrecht tijdens de bezettingsjaren’, Ondernemingsrecht 2001, p. 17-21.
Ibid, p. 156-157.
Maeijer 1964, noten 4, 9, 22.
De Jongh heeft in dit verband nog gewezen op het arrest van de Hoge Raad inzake Mante uit 1964 (HR 30 oktober 1964, NJ 1965, 107 m.nt. G.J. Scholten) waarin volgens hem de aanvaarding van de institutionele vennootschapsleer besloten ligt. Zie De Jongh 2014, p. 340.
Het door Löwensteyn benadrukte duurzame karakter van een eenmaal opgerichte N.V. werd enkele jaren later door Maeijer in zijn oratie aangegrepen om een nieuwe wending te geven aan het door de Hoge Raad in het Doetinchemse Ijzergieterij-arrest aangelegde richtsnoer van het belang van de vennootschap. Met zijn oratie zette Maeijer als jonge hoogleraar zijn eerste schreden in het vennootschapsrecht,1 een keuze die rechtstreeks door het proefschrift van Löwensteyn was ingegeven.2 In zijn oratie bouwde Maeijer op inventieve wijze voort op de hierboven weergegeven inzichten en opvattingen van Van der Grinten, Löwensteyn, Kamphuisen, Zeylemaker en Hijmans van den Bergh. Maeijer wist de verschillende inzichten van deze auteurs te bundelen tot één coherent en samenhangend betoog over het wezen van het belang van de vennootschap via een benadering die later door Mendel als ‘holistisch’ is aangemerkt.3 Maeijer legde zo de basis voor het leerstuk van het vennootschappelijk belang. Hij sloeg hiermee tevens de piketpalen voor de opvattingen die zijn visie op het onderwerp gedurende Maeijer’s verdere wetenschappelijke carrière zouden blijven leiden.4 Maeijer’s bijdrage zou uiteindelijk voor de verdere rechtsontwikkeling een beslissende wending blijken te zijn.
Kort gezegd was het betoog van Maeijer als volgt opgebouwd. Maeijer begon met de constatering, onder verwijzing naar Van der Grinten, dat de N.V. in de eerste plaats als rechtspersoon had te gelden. Hier voegde hij aan toe: “Op deze wijze wordt het samenwerkingsverband benadrukt; de samenwerkende personen, de vennoten, treden op de achtergrond.”5 Maeijer vervolgde zijn betoog met de constatering, onder verwijzing naar Kamphuisen en Hijmans van den Bergh, dat deze visie op de N.V. ook in overeenstemming was met de werkelijkheid, nu de open en grotere N.V.’s steeds meer als werkelijk zelfstandige grootheden in het maatschappelijk verkeer waren gaan optreden en zich waren gaan voordoen als oligarchisch geregeerde samenwerkingsvormen. Maeijer verbond hieraan, onder verwijzing naar Hijmans van den Bergh en het Forumbank- arrest, de conclusie dat de AVA dan ook niet langer als hoogste macht binnen de N.V. kon worden beschouwd. Maeijer sprak, onder verwijzing naar Zeylemaker, van het “tijdperk van de ‘managers’”.6
Vanuit deze feitelijke observaties wendde Maeijer zich tot de jurisprudentie van de Hoge Raad, in het bijzonder het Doetinchemse Ijzergieterij-arrest, waarin de Hoge Raad het begrip ‘belang van de vennootschap’ had gebezigd. Maeijer stelde zich de vraag wat dit belang, gelet op de rechtspersoonlijkheid van de N.V., inhield. Onder verwijzing naar een losse opmerking van Bregstein uit 19537 stelde Maeijer dat niet langer kon worden ontkend dat het belang van de vennootschap “iets anders is, méér is dan het geldelijk belang van de gezamenlijke aandeelhouders.”8 In het verlengde hiervan kwam Maeijer met zijn inmiddels klassiek geworden definitie van het belang van de vennootschap: “Het vennootschappelijk belang nu zou ik willen aanduiden als het belang dat de vennootschap heeft bij haar eigen gezonde bestaan, uitgroei en voortbestaan met het oog op het door haar te bereiken doel.”9 Over dit “te bereiken doel” merkte Maeijer op dat dit doel uiteindelijk was gericht “op het behalen van winst, op de rentabiliteit van het bijeengebrachte kapitaal.”10
In het bepalen van de verhouding van zijn betoog tot het eerdere werk van Löwensteyn en Van der Grinten maakte Maeijer twee opvallende keuzes. Ten eerste werd de opvatting van Löwensteyn dat ook de belangen van toekomstige aandeelhouders gelet op het duurzame karakter van de N.V. ook onder het belang van de gezamenlijke aandeelhouders tot het behalen van winst moest worden begrepen uitdrukkelijk door Maeijer van de hand gewezen. Dit is opmerkelijk, aangezien Maeijer’s invulling van het vennootschappelijk belang, als zijnde gericht op de continuïteit van de vennootschap, materieel niet ver van Löwensteyn’s opvatting afstond. Löwensteyn erkende in zekere zin het belang van continuïteit van de vennootschap, maar hij vertaalde dit in de uitwerking naar een belang van de gezamenlijke aandeelhouders. Uit de verkorte weergave die Maeijer van Löwensteyn’s standpunt gaf11 lijkt te volgen dat Maeijer dit mogelijk onvoldoende heeft onderkend. Ten tweede haalde Maeijer expliciet de laatste bewerking van het Handboek van der Grinten aan ter onderbouwing van zijn stelling dat het belang van de vennootschap en het belang van de aandeelhouders twee afzonderlijke grootheden zijn.12 Maeijer leidde uit de formulering in het Handboek af dat Van der Grinten zijn aanvankelijke opvatting dat het belang van de N.V. niets anders was dan het belang van de gezamenlijke aandeelhouders kennelijk had verlaten.13 Zoals hierboven reeds uiteengezet was dit naar alle waarschijnlijkheid een te vergaande conclusie. Zeker wanneer men bedenkt dat Van der Grinten het gebruik had om wijzigingen in zijn opvattingen expliciet aan te duiden14 is het opmerkelijk hoe Maeijer op basis van slechts een terloopse zin in het Handboek een wijziging in opvatting heeft kunnen aannemen.
Op één punt was de redenering van Maeijer inzake het vennootschappelijk belang niet helemaal zuiver. Van de constatering dat de N.V. juridisch kwalificeerde als rechtspersoon en de feitelijke observatie dat de N.V. zich inmiddels had ontwikkeld tot een oligarchisch geregeerde samenwerkingsvorm, maakte Maeijer de paardensprong dat het belang van de N.V. dientengevolge ook op zichzelf moest zijn gericht in plaats van op haar aandeelhouders. Anders geformuleerd: aan het feit dat de N.V. niet langer van haar gezamenlijke aandeelhouders uitging, verbond Maeijer het gevolg dat de N.V. ook niet langer op het belang van die gezamenlijke aandeelhouders kon zijn gericht. Ter onderbouwing van deze redenering verwees Maeijer naar de beschouwing over rechtspersoonlijkheid van Meijers waaruit zou volgen dat een rechtspersoon een belang van eigen vorm en karakter zou belichamen.15 Deze gedachte werd door Maeijer echter zo ver doorgevoerd dat aan de N.V. ook andere persoonlijke eigenschappen werden toegedicht. Illustratief is de volgende passage: “Terwijl de aandeelhouders in dat geval [bij het maken van winst] zullen voelen voor onmiddellijk uit te keren dividend, zal de vennootschap daarentegen geneigd zijn te denken aan het verzekeren van haar bestaan en eerder een rentabiliteitspolitiek voeren op langere termijn. Zo kan er op een bepaald moment een tegenstelling ontstaan tussen wat de vennootschap ziet als haar eigen belang en hetgeen de aandeelhouders ervaren als hún gezamenlijk belang.”16 Het aannemen van een eigen belang van een rechtspersoon in lijn met de theorie van Meijers is één, iets anders is het toekennen van cognitieve vermogens aan de N.V. (neigen, denken, zien). De ver gevoerde beeldspraak waarbij de N.V. als een volwaardig persoon wordt voorgesteld lijkt voor Maeijer niet zozeer nodig te zijn geweest om te beargumenteren dat de N.V. een enigermate van haar aandeelhouders geabstraheerd belang heeft, maar meer om te verklaren waarom het belang van de N.V. niet met dat van haar aandeelhouders samenvalt. Om de vergelijking dogmatisch sluitend te krijgen, moest Maeijer de N.V. als het ware onder een gelijke noemer zetten als de achterliggende natuurlijke personen.
Een ander interessant aspect van de oratie van Maeijer was zijn uiteenzetting over de verhouding tussen het vennootschappelijk belang en het handelen van de AVA. Van der Grinten had eerder reeds opgemerkt dat de organen van de N.V. zich bij hun besluiten en daden dienden te laten leiden door het (in de door hem begrepen zin verstane) belang van de vennootschap.17 Hieruit zou volgen dat ook de AVA als orgaan aan het vennootschappelijk belang (in de door Maeijer bedoelde zin) gebonden zou zijn. Zo ver wilde Maeijer niet gaan. Hij overwoog: “In ons huidige rechtssysteem kan het coöperatieve karakter van de naamloze vennootschap niet volledig worden weggedacht. De algemene vergadering van aandeelhouders is de plaats waar dit karakter zich nu juist manifesteert. Samenwerkende personen kan men niet beletten dat zij binnen het kader van hun samengaan vooreerst hun eigen belang blijvend nastreven.”18 Voor de individuele aandeelhouders, samenkomend in de AVA, aanvaardde Maeijer dus dat zij als ‘samenwerkende personen’ hun eigen belang mochten nastreven. Hij wees in dit verband ook op het arrest van de Hoge Raad inzake Baus/De Koedoe19, waarin de Hoge Raad had overwogen dat de aandeelhouders vrijelijk het recht hadden te beslissen wie zij tot directeur van de vennootschap wensten te benoemen, en op de verschillende arresten die de Hoge Raad over het vraagstuk van geoorloofdheid van stemovereenkomsten had gewezen, te weten Wennex,20Distilleerderij Melchers21 en Aurora,22 waarin de Hoge Raad had overwogen dat aan de aandeelhouder in het stemrecht geen recht in het belang van anderen is toevertrouwd, maar dat hem hiermee een eigen recht is gegeven om zijn belang in de vennootschap te dienen.23 Wel zag Maeijer een wezenlijke beperking in de vorm van de goede trouw. Hij stelde hierover: “Deze [de goede trouw] brengt vooreerst mee dat de aandeelhouder bij het dienen van eigen belang het belang van de vennootschap mede in het oog moet houden, het zo nodig moet afwegen tegen zijn belang en het desnoods moet ontzien.”24 Zo kreeg het vennootschappelijk belang een andere rol bij het handelen van aandeelhouders dan bij dat van bestuurders en commissarissen. Anders dan bestuurders en commissarissen hoefden aandeelhouders in de visie van Maeijer niet het vennootschappelijk belang als richtsnoer aan te houden voor de wijze waarop zij hun stemrecht uitoefenen; zij mochten hierbij van hun eigen belang uitgaan. Wel kon het vennootschappelijk belang een grond zijn voor aandeelhouders om in voorkomende gevallen hun stemrecht niet ten dienste van louter hun eigen belang aan te mogen wenden. Voor aandeelhouders had het vennootschappelijk belang dus een negatieve werking: een verbod om in bepaalde gevallen het eigen belang met uitsluiting van andere belangen na te streven.
Tot slot nog een opmerking over de reikwijdte van Maeijer’s vennootschappelijk belang. Evenmin als Löwensteyn maakte Maeijer in zijn beschouwing een expliciet onderscheid tussen de publieke N.V. en de besloten N.V.. Uit bepaalde opmerkingen kan echter worden afgeleid dat Maeijer bij het formuleren van het vennootschappelijk belang vooral de open N.V. voor ogen had. Voorbeelden zijn “Het economisch leven dat steeds ingewikkelder wordt, heeft behoefte aan vennootschapsbesturen die krachtig en zelfstandig kunnen optreden”25 en “Het vennootschappelijk belang doet zich in de huidige tijd meer en meer gelden als een werkelijk zelfstandige grootheid, die onderscheiden moet worden van het belang van de gezamenlijke aandeelhouders. Het algemeen belang is bij deze ontwikkeling gebaat, omdat hierdoor de stabiliteit, groei en continuïteit van de ondernemingen rechtstreeks worden bevorderd. Onze maatschappij is ermee gediend dat in het economisch leven krachtige eenheden werkzaam zijn, die blijvend werkgelegenheid verschaffen aan velen.”26 De focus op de open N.V. lijkt voor Maeijer vooral ingegeven te zijn door de observaties van Hijmans van den Bergh in zijn noot bij het Forumbank-arrest, die door Maeijer in de inleiding van zijn oratie enkele malen instemmend werd aangehaald.27 De vraag of het vennootschappelijk belang ook voor besloten N.V.’s op een vergelijkbare wijze moest worden ingevuld, kwam in het betoog van Maeijer in het geheel niet aan de orde. Het heeft er alle schijn van dat het perspectief van de open N.V. met de oratie van Maeijer en de navolging ervan in het kader van de ‘vermaatschappelijking van de onderneming’ (zie hieronder §2.7) tot het dominante gezichtspunt in de verdere ontwikkeling van het N.V.-recht is geworden.28 Van der Grinten’s benadering van de N.V. vanuit de kleine, besloten vennootschap en daarmee de door Van der Heijden bepleite historische verwevenheid tussen de N.V. en andere vormen van maatschap en vennootschap lijkt op dat moment definitief te zijn verlaten.
Met zijn oratie over het vennootschappelijk belang bood Maeijer een alternatieve zienswijze op de N.V. ten opzichte van de op de aandeelhouders gerichte visies op de N.V. van Van der Grinten en Löwensteyn. Bij Maeijer kreeg de rechtsoverweging over het belang van de vennootschap in het Doetinchemse Ijzergieterij – door Van der Grinten en Löwensteyn nog afgedaan als een afzwaaier van de Hoge Raad – een nieuwe dimensie als juridische erkenning van een zeker belangenpluralisme binnen de N.V.. Enkele jaren later zou Van der Grinten zelf ook dit belangenpluralisme aanvaarden in een gewijzigde eigen opvatting die sterk tegen die van Maeijer aanlag, terwijl Löwensteyn’s model ook in hergeformuleerde vorm uiteindelijk tot een minderheidsopvatting zou verworden (zie hierna §2.7).