Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.4.4
IV.5.4.4 Verkeersopvatting
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460435:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 11.1.4.2.
Zie Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 11.1.6; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/124; Sieburgh 2001, p. 188 e.v. Over bronnen van verkeersopvattingen, zie Romans 2007, nr. 19 e.v.
Zie o.a. De Valk 2009, p. 137-140, voetnoot 160 met verdere verwijzingen; Karapetian 2019, p. 21-22; Verstijlen 2013.
Zie bijvoorbeeld HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470 (concl. A-G Drijber), NJ 2018/330, m.nt van Schilfgaarde; Ondernemingsrecht 2018/81, m.nt. Lennarts; AA20180502, m.nt. Assink (X/TMF), r.o. 3.3.3. Voor meer verwijzingen zie hierboven par. IV.2.4.2 en IV.2.4.3.
Strik 2010, p. 40 e.v.
Dit kwam reeds aan bod in par. IV.2.4.5 onder het kopje ‘Gezichtspunten voor andere gevalstypen’.
Zie met verdere verwijzingen: Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 11.4.2; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/121-126.
Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 11.4.4.
Overigens kan ook worden betoogd dat dergelijke onwetendheid – behoudens verschoonbare rechtsdwaling – ook niet in de weg staat aan toerekening krachtens schuld, waardoor deze omstandigheid niet pas aan bod komt in toerekening krachtens verkeersopvatting.
In par. IV.5.3.2 onder A) licht ik dit toe met verdere verwijzingen.
Cf. HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470 (concl. A-G Drijber), NJ 2018/330, m.nt van Schilfgaarde; Ondernemingsrecht 2018/81, m.nt. Lennarts; AA20180502, m.nt. Assink (X/TMF), r.o. 3.5.2, waarin mijns inziens ten onrechte de aansprakelijkheid van de trust-bestuurder mede vastliep op de onbekendheid met het – weliswaar niet tot hem gerichte – geschonden wettelijke voorschrift.
HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595, NJ 1980/34, m.nt. Brunner (Kleuterschool Babbel). Zie over de dogmatische inbedding van deze toets wat ik schrijf onder het kopje ‘Toerekenen, toerekenen, toerekenen, toerekenen’.
Ten derde en ten slotte, is het mogelijk om een onrechtmatige daad krachtens ‘de in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen’ toe te rekenen. Met deze laatste toerekeningsgrond heeft de wetgever de mogelijkheid open gehouden om onder bijzondere omstandigheden een onrechtmatige daad zonder verwijt toe te rekenen aan de dader wanneer hem geen persoonlijk verwijt treft, zonder dat hiermee het schuldbegrip opgerekt wordt tot het punt waarop het betekenisloos wordt.1 In de literatuur worden verschillende objectieve aanknopingspunten onderscheiden om vast te stellen of toerekening krachtens verkeersopvatting mogelijk is, waaronder de hoedanigheid/deskundigheid van de dader, de aard van de gedraging, en de aanwezigheid van zwaarwegende belangen.2 De verkeersopvatting als toerekeningsgrond wordt door Sieburgh treffend gekarakteriseerd als tussenvorm van de aansprakelijkheid voor verwijtbaar onrechtmatig gedrag en de kwalitatieve aansprakelijkheden.3
Welke rol kan de toerekening krachtens verkeersopvatting spelen bij de aansprakelijkheid van leidinggevenden op grond van onrechtmatige daad? Over het antwoord op deze vraag wordt verschillend gedacht. Sommige auteurs menen dat geen beroep op deze toerekeningsgrond kan worden gedaan voor de aansprakelijkheid van bestuurders en bepaalde andere functionarissen van privaatrechtelijke rechtspersonen.4 Voor deze opvatting wordt erop gewezen dat de Hoge Raad herhaaldelijk en expliciet heeft overwogen dat de bestuurder voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad persoonlijk een ((voldoende) ernstig) verwijt moet treffen.5 Daarom zou een onrechtmatige daad volgens deze auteurs alleen kunnen worden toegerekend aan een bestuurder krachtens schuld.
Tegelijkertijd lijkt men het er in de literatuur over eens dat voor de vaststelling van het verwijt dat nodig is voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad moet worden geabstraheerd van de persoonlijke kenmerken van de aangesprokene, en dat een objectieve maatman-toets moet worden toegepast.6 Met Strik meen ik dat de ernstig verwijt-maatstaf met een dergelijke geobjectiveerde invulling nog weinig te maken heeft met de toerekeningsgrond ‘schuld’ in de zin van artikel 6:162 lid 3 BW, waarin juist de persoonlijke kenmerken van de aangesprokene voorop staan. Er lijkt dan veeleer sprake te zijn van toerekening krachtens verkeersopvatting.7 Zoals ik heb toegelicht in par. IV.2.4, begrijp ik het bijvoeglijk naamwoord ‘persoonlijk’ voor ‘ernstig verwijt’ als een vingerwijzing dat voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad – anders dan bij aansprakelijkheid op grond van 2:9 BW – geen sprake is van collegiale verantwoordelijkheid en hoofdelijke aansprakelijkheid behoudens disculpatie, maar dat de onrechtmatige daad persoonlijk aan de bestuurder moet worden toegerekend. Deze persoonlijke toerekening wijkt niet af van de gewone werking van artikel 6:162 lid 3 BW. Juist gelet op het objectieve karakter dat de ernstig verwijt-maatstaf wordt toegedicht in de literatuur en de jurisprudentie van de Hoge Raad – de juistheid van de ernstig verwijt-doctrine voor nu in het midden gelaten – lijkt het me zeker niet uitgesloten dat een onrechtmatige daad krachtens verkeersopvatting wordt toegerekend aan bestuurders.
De volgende vraag is wanneer de oorzaak van een milieuovertreding krachtens verkeersopvatting voor rekening moet komen van een leidinggevende. Deze kwestie is nog niet uitgekristalliseerd in de jurisprudentie of literatuur. Er zijn wel enkele algemenere vuistregels bekend voor deze toerekeningsgrond die ook relevant zijn voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden.
Over het algemeen wordt aangenomen dat onervarenheid krachtens verkeersopvatting voor eigen rekening komt van de dader.8 Dat een leidinggevende zelf moet instaan voor de onrechtmatige daden die hij vanwege een gebrek aan ervaring pleegt, sluit aan bij de lijn die wordt gevolgd in het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht. Dit is mijns inziens ook gepast in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Bij het verrichten van bedrijfsmatige activiteiten waaraan risico’s zijn verbonden voor het milieu, de leefbaarheid van de omgeving of het welzijn van omwonenden, mag immers worden verwacht dat de persoon met zeggenschap over die activiteiten over de capaciteiten beschikt om de activiteit conform de regels te verrichten, of anders iemand in dienst neemt die op dit gebied kan adviseren en helpen met het controleren van de naleving van de milieuregels.
Daarnaast wordt volgens vaste rechtspraak een beroep op rechtsdwaling niet aanvaard om toerekening te ontlopen. Aangenomen wordt dat dwaling omtrent het (zowel ongeschreven als geschreven) objectieve recht krachtens verkeersopvattingen in beginsel voor rekening van de dwalende komt.9 Daarom komt onwetendheid ten aanzien van milieuregelgeving ook voor rekening van de leidinggevende.10 Zeker wanneer de leidinggevende kan worden aangemerkt als normadressaat van het geschonden milieuvoorschrift – hetgeen vaak het geval is11 – mag worden verwacht dat hij bekend is met de inhoud van het voorschrift. Hiermee zou het privaatrecht ook gelijk optrekken met de strafrechtelijke en bestuursrechtelijke regeling voor milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, waarin bewustheid van het onrechtmatige karakter van een handeling (zogenoemd ‘boos opzet’) geen vereiste is voor aansprakelijkheid voor een milieuovertreding.12
Verder onderzoek is nodig voor aanvullende vuistregels voor de ‘toerekening krachtens toerekening’ van een milieuovertreding aan leidinggevenden. Ik zou er tot slot voor pleiten om buiten de voorgenoemde gevallen terughoudend om te gaan met deze toerekeningsgrond. Dit lijkt me verstandig omdat veel milieuovertredingen kunnen worden begaan door nalaten, en zonder een verwijtbaarheidstoets zou de aansprakelijkheidsdrempel te laag komen te liggen. Bovendien kunnen niet-verwijtbare onrechtmatige gedragingen van leidinggevende functionarissen (op grond van de Kleuterschool Babbel-toets13) in principe krachtens de in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen worden toegerekend aan de rechtspersoon. Daarom moet mijns inziens in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden toerekening krachtens (subjectieve) schuld het uitgangspunt blijven.