Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/7.5.2
7.5.2 Vergoeding van andere schade dan de kosten van het onderzoek en de exclusiviteit van de regeling van art. 2:354 BW
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652505:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van der Vlis 1997, p. 228.
Holtzer 2002, p. 34.
HR 16 augustus 1996 (r.o. 3.3.2), NJ 1997/37, m.nt. J.M.M. Maeijer (VHS). Anders Van Calker 2017, p. 544; Hanegraaf 2017, p. 190; Hanegraaf 2019, p. 332-333.
Conclusie A-G Timmerman (nr. 3.40) voor HR 18 november 2016, NJ 2017/202, m.nt. H.B. Krans & P. van Schilfgaarde; JOR 2017/30, m.nt. A. Hammerstein (Meavita). Zie ook Conclusie A-G Van Soest (nr. 8.3) voor HR 16 augustus 1996, NJ 1997/37, m.nt. J.M.M. Maeijer (VHS); Willems 2004b, p. 260.
Handelingen II 1969/70, 61, p. 2918 en p. 2923; SER-advies 1988, p. 26. Zie ook Maeijer (onder 3) in zijn annotatie bij HR 16 augustus 1996, NJ 1997/37 (VHS); Geerts (onder 3) in zijn annotatie bij OK 27 maart 1997, TVVS 1997, p. 155 (Skipper Club Charter); Buijn & Storm 2013, p. 1063; Storm 2014, p. 185; Hanegraaf 2020c, p. 356. Eikelboom 2022, p. 1499 noemt dat voor art. 2:350 lid 2 BW ‘niet relevant’, omdat de mogelijkheid van schadeverhaal op grond van deze bepaling is beperkt tot gevallen van misbruik van procesrecht.
Zo ook Buijn & Storm 2013, p. 1063. Anders Geerts 2004, p. 225; Van Mierlo 2005, p. 396.
Anders Van Calker 2017, p. 544.
OK 15 december 2011 (r.o. 4.137), JOR 2012/77, m.nt. J.F. Ouwehand (Landis).
OK 15 februari 2013 (r.o. 11.8), JOR 2013/102, m.nt. D.A.M.H.W. Strik (Van der Moolen).
Anders Olden 2003, p. 554.
Anders dan art. 2:350 lid 2 BW, waarover par. 7.8, is art. 2:354 BW beperkt tot de vergoeding van de schade ter grootte van de kosten van het onderzoek in de enquêteprocedure, ook als de enquêteverzoeker wordt aangesproken. De als gevolg van de enquêteprocedure geleden schade kan echter hoger zijn dan enkel de kosten van het onderzoek. Consistent is de wettelijke regeling van het enquêterecht in dit opzicht dus niet. Van der Vlis heeft verdedigd art. 2:354 BW op dit punt te laten aansluiten op art. 2:350 lid 2 BW, door te bepalen dat de rechtspersoon zijn schade, waaronder de kosten van het onderzoek, op de verzoeker(s) kan verhalen indien het verzoek niet op redelijke grond blijkt te zijn gedaan.1 Holtzer lijkt art. 2:354 BW reeds zo uit te leggen, althans voor zover het schadeverhaal als gevolg van later vernietigde voorzieningen betreft.2
Art. 2:354 vormt naar mijn mening een (bestuurders)aansprakelijkheidsgrondslag, zie par. 7.3 en par. 7.9.2.4. In deze richting wees ook reeds VHS, waarin de Hoge Raad overwoog dat in art. 2:354 BW een bijzondere regeling is getroffen, waardoor het niet mogelijk is de kosten van het onderzoek via art. 2:9 BW op bestuurders te verhalen.3 Timmerman heeft art. 2:354 BW in het verleden ook wel aangeduid als ‘een soort van lex specialis van art. 2:9 BW’.4 De kosten van het onderzoek kunnen door de geënquêteerde rechtspersoon niet op grond van art. 2:9 BW (jo. art. 6:96 lid 2 sub b BW) op bestuurders of commissarissen worden verhaald, ook niet als de rechtspersoon nalaat verhaal van de kosten van het onderzoek te verzoeken op grond van art. 2:354 BW. In die betekenis is art. 2:354 BW inderdaad een lex specialis van art. 2:9 BW.
Met art. 2:350 lid 2 BW en art. 2:354 BW is een bijzondere regeling getroffen voor een concrete casuspositie, waardoor wat betreft deze vordering bovendien wordt gederogeerd aan de regeling van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW), zo volgt uit de parlementaire geschiedenis.5 De in deze artikelen bedoelde schade kan door de op grond van art. 2:354 BW bevoegde verzoeker dus evenmin worden verhaald in een aansprakelijkheidsprocedure op de voet van art. 6:162 BW (jo. art. 6:96 lid 2 sub b BW).6 Met art. 2:354 BW is mijns inziens in zoverre ook een bijzondere regeling getroffen dat de kosten van het onderzoek niet met een beroep op art. 6:162 BW (jo. art. 6:96 lid 2 sub b BW) kunnen worden verhaald op een ander dan de in art. 2:354 BW genoemde personen, bijvoorbeeld een aandeelhouder (die niet kwalificeert als feitelijk bestuurder).
De kosten van het onderzoek mogen mijns inziens niet worden begrepen onder het in art. 2:138/248 lid 1 BW bedoelde ‘bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan’. De curator die de kosten van het onderzoek in een voorkomend geval financiert zal deze evengoed via art. 2:354 BW moeten verhalen.7 Een en ander ligt in de lijn van de bedoeling van de wetgever ten aanzien van de verhouding tussen art. 2:354 BW en art. 6:162 BW.
De Ondernemingskamer lijkt overigens de mening toegedaan dat art. 2:354 BW niet derogeert aan andere aansprakelijkheidsgrondslagen. Zo overwoog zij in Landis:
‘Uit het oordeel dat in een geval als het onderhavige de curator(en) langs de weg van artikel 2:354 BW verhaal van de kosten kan/kunnen zoeken, volgt dat niet van belang is dat de curator(en) ook andere wegen openstaan waarlangs vergoeding van die kosten door derden kan worden afgedwongen. Bovendien is de bij toepassing van art. 2:354 BW geldende maatstaf niet dezelfde als die geldt indien de curator(en) bij de gewone civiele rechter op een andere grondslag (bijvoorbeeld artikel 2:138 BW of artikel 6:96 lid 2 BW) verhaal zoekt/zoeken voor de kosten van het onderzoek. (…)’8
In Van der Moolen oordeelde de Ondernemingskamer dat de kosten van het onderzoek eveneens via art. 6:96 BW kunnen worden verhaald:
‘Anders dan Den Drijver meent, doet de omstandigheid dat de curatoren ook op de voet van artikel 6:96 BW verhaal zouden kunnen zoeken voor (een deel van) de onderzoekskosten, niet af aan de bevoegdheid van de curatoren om dat op de voet van artikel 2:354 BW te doen. Het verhaalsrecht op de voet van artikel 2:354 BW is niet beperkt tot kosten die (ook) op de voet van artikel 6:96 BW toewijsbaar zouden zijn. De curatoren behoeven dus ook niet aannemelijk te maken dat de onderzoekskosten redelijkerwijs noodzakelijk waren ter vaststelling van de schade en/of aansprakelijkheid. (…)’9
Deze uitleg van de Ondernemingskamer is mijns inziens strijdig met de bedoeling van de minister zoals volgt uit de hierboven aangehaalde parlementaire geschiedenis. Wat daar ook van zij, een en ander neemt niet weg dat andere schade dan de kosten van het onderzoek mogelijk wel via art. 2:9 BW, art. 2:138/248 BW, art. 6:162 BW of een andere aansprakelijkheidsgrondslag voor vergoeding in aanmerking komt. Wordt een verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek op de voet van art. 2:354 BW toegewezen, dan betekent dat dus niet noodzakelijkerwijs dat de verzoeker overige schade niet krijgt vergoed.10