Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/2.3.2.2
2.3.2.2 Vanuit het perspectief van de werknemers
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS483764:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Van den Bergh 1924, p. 25-26. Als voorbeeld geeft Van den Bergh de prijs van het brood. De gemeenschap als geheel heeft er belang bij dat deze zo laag mogelijk is, dat mag echter niet ten koste gaan van de gezondheid of de menswaardigheid van de bakkers en hun werknemers.
De Gaay Fortman (1936, p. 117-118) noemt als grootste bezwaar tegen dit soort bepalingen dat van de ondernemingsraad daarmee een instrument wordt gemaakt tegen de werkgever.
Vgl. de taakstelling van de ondernemingsraad in het oorspronkelijke wetsontwerp (‘het bevorderen van een goede verstandhouding en samenwerking in de onderneming’). Zie ook de Memorie van Antwoord (Kamerstukken II, 884, nr. 5, p. 11), en SER-advies 1968/13, p. 5- 6.
Zie met zoveel woorden de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot invoering van de structuurregeling (Kamerstukken II 1969-1970, 10 751, nr. 3, p. 8).
SER-advies 1968/13, p. 7.
SER-advies 1972/16 en SER-advies 1975/14.
Zie voor uitgebreidere beschouwing op dat punt de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp (Kamerstukken II 1974-1975, 13 954, nr. 3, p. 20-21).
Om de ondernemingsraad een beroepsrecht toe te kennen, was in eerste instantie een apart wetsvoorstel ingediend (Kamerstukken II 1974-1975, 13 350, nr. 2). De regeling van het beroepsrecht is uiteindelijk opgenomen in het veelomvattender wetsvoorstel dat in juni 1976 is ingediend.
Zie reeds OK 1 mei 1980, NJ 1981, 721 en ROR 1971-1984, nr. 79; en OK 15 april 1982, NJ 1983, 744. Van meer recente datum zijn OK 30 november 2007, JAR 2008/10, OK 24 december 2007, JAR 2008/34, OK 8 januari 2008, ROR 2007/42, OK 13 november 2008, JAR 2009/13, en OK 20 januari 2011, JAR 2011/69 m.nt. Knipscheer.
SER-advies 1972/ 16.
Brief van 7 februari 2003 (Kamerstukken II 2002-2003, 28 792, nr. 1, p. 4-5).
Met het feit dat medezeggenschap draagvlak creëert omdat werknemers de ondernemingsraad eerst en vooral beschouwen als behartiger van personeelsbelangen, is meteen de belangrijkste toegevoegde waarde van medezeggenschap vanuit werknemersperspectief gegeven. De ondernemingsraad is de kritische luis in de ondernemerspels die er op toeziet dat de werknemersbelangen op een volwaardige manier worden betrokken bij beleid en besluiten van de ondernemer. Met name besluiten met betrekking tot inkrimping en tot gehele of gedeeltelijke beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming (art. 25 WOR) en besluiten met betrekking tot regelingen in de zin van art. 27 WOR lenen zich, zo zal het gevoel bij veel werknemers zijn, voor behartiging van hun belangen.
Reeds in 1924 schrijft Van den Bergh dat medezeggenschap er onder meer toe strekt de leiding van de onderneming tot een evenwichtiger afweging te brengen van de belangen van de werknemers ten opzichte van die van de gehele gemeenschap.1 Deze lijn trekt hij door in zijn ontwerp van een wet op de ondernemingsraden,2 zowel waar het de samenstelling (uitsluitend werknemers) als de bevoegdheden van de ondernemingsraad betreft. Een goed voorbeeld van dit laatste is art. 43 van het ontwerp: blijkt ten gevolge van inkrimping of gedeeltelijke stillegging van de onderneming of ten gevolge van de invoering van nieuwe arbeidsmethoden ontslag van werknemers noodzakelijk, dan is de werkgever verplicht zo lang mogelijk tevoren met de ondernemingsraad overleg te voeren over de omvang en de wijze der noodzakelijke ontslagen en over het zoveel mogelijk vermijden van hardheden.3 Bijzondere vermelding verdienen ook de artt. 47 t/m 51 van het ontwerp, die een afvaardiging van de ondernemingsraad onder andere het recht toekennen aandeelhoudersvergaderingen en vergaderingen van de raad van commissarissen bij te wonen, met raadgevende stem zelfs. Van den Bergh was zijn tijd ver vooruit!
De Wet op de ondernemingsraden van 1950 ademde, zo gaf ik eerder aan, een sfeer van behartiging van gezamenlijke belangen.4 Geleidelijk groeide echter (weer) het inzicht dat de belangen van bedrijfsleiding, kapitaalverschaffers en werknemers niet altijd en niet in alle opzichten parallel liepen, en dat de eigen belangen van werknemers een meer specifieke behartiging verdienden. Daartoe werd begin jaren zeventig een belangrijke aanzet gegeven, enerzijds in de vorm van de structuurregeling die de werknemers invloed verschafte op de samenstelling van de raad van commissarissen,5 anderzijds in de vorm van een aanzienlijke uitbreiding van de bevoegdheden van de ondernemingsraad in de Wet op de ondernemingsraden. Hoewel de bestuurder ook in de nieuwe wet nog lid van de ondernemingsraad was, dichtten de betrokken ministers in de Memorie van Toelichting,6 in navolging van de SER,7 de raad een dualistisch karakter toe: de raad is er (nog steeds) om het overleg tussen bestuurder(s) en personeel te bevorderen, maar daarnaast vertegenwoordigt hij, voor zover nodig, het personeel tegenover die bestuurder(s). De taak naar vermogen bij te dragen aan het goede functioneren van de onderneming verdween uit de wet. In plaats daarvan ging art. 2 lid 1 WOR bepalen dat de instelling van een ondernemingsraad geschiedde in het belang van het goed functioneren van de onderneming. Deze bepaling laat meer ruimte voor behartiging van eigen belangen van werknemers. Acht jaar later, en nadat de SER dienaangaande twee belangrijke adviezen had uitgebracht,8 gaat de behartiging van werknemersbelangen een nog prominentere rol spelen, en krijgt de ondernemingsraad een monistisch karakter. Dit komt onder meer tot uiting in het feit dat de bestuurder van de onderneming daarvan niet langer deel uit maakt.9 De ondernemingsraad staat voortaan ‘tegenover’ de bestuurder in de daartoe in het leven geroepen overlegvergadering. In díe vergadering moeten de vertegenwoordigende en de belangenbehartigende taak en functie van de ondernemingsraad sindsdien tot hun recht komen. Sprekend voor de behartiging van werknemersbelangen is ook het beroepsrecht dat de ondernemingsraad in 1979 wordt toegekend.10 Hoe essentieel het is dat de belangen van de gezamenlijke werknemers worden meegewogen in het besluit, en hoezeer de ondernemingsraad die belangen behartigt, blijkt wel uit het feit dat het nemen van een besluit zonder het advies van de ondernemingsraad te kennen, in de regel voor de Ondernemingskamer volstaat om de ondernemer te verplichten het besluit in te trekken.11 Op pagina 4 van zijn advies dat mede aan dit beroepsrecht ten gronde ligt12 schrijft de SER: ‘Bij een “beroepsrecht van werknemers” moet worden gedacht aan een bevoegdheid van de collectiviteit van de werknemers van een onderneming om tegen bepaalde beslissingen van de ondernemer, welke de belangen van de gezamenlijke werknemers of van groepen van werknemers raken, in beroep te komen bij een onafhankelijke instantie. Het beroep is gericht op de bescherming van collectieve belangen van werknemers, …’. Kenmerkend is ook een brief van de minister van Sociale Zaken en werkgelegenheid aan de Tweede Kamer met betrekking tot de in 1998 door de regering toegezegde evaluatie van de WOR: ‘De doelstelling van de medezeggenschap is een bijdrage te leveren aan het op evenwichtige wijze afwegen van belangen van werknemers en werkgever bij de besluitvorming binnen de onderneming.’.13 Inmiddels is men het er in brede kring over eens dat belangenbehartiging zwaar weegt bij het functioneren van de ondernemingsraad.