Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/5.3.1.2
5.3.1.2 Suijling-Dubois over verkoopwaarde
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS619206:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
J.Ph. Suijling, H.F.R. Dubois, Inleiding tot het burgerlijk recht, 6e stuk (erfrecht), Haarlem: De erven F. Bohn N.V. 1931. Een definitie van het begrip verkoopwaarde wordt hierin overigens niet verstrekt.
J.Ph. Suijling, H.F.R. Dubois, Inleiding tot het burgerlijk recht, 6e stuk (erfrecht), Haarlem: De erven F. Bohn N.V. 1931, p. 360. Volgens Kleijn geeft art. 1123 BW oud – met uitzondering voor de officieel genoteerde effecten – weinig steun aan de deskundigen. Problemen zoals het waarderingstijdstip en de waarderingsmaatstaf blijven zijns inziens onopgelost. W.M. Kleyn, De boedelscheiding (diss. Leiden), Arnhem: N.V. Uitgeversmaatschappij S. Gouda Quint – D. Brouwer en zoon 1969, p. 374. De waardeproblematiek in het kader van een verdeling, behandelt Kleyn in zijn dissertatie tegen de achtergrond van de problematiek van de echtelijk woning; ik kom daarop in paragraaf 12 terug.
J.Ph. Suijling, H.F.R. Dubois, Inleiding tot het burgerlijk recht, 6e stuk (erfrecht), Haarlem: De erven F. Bohn N.V. 1931, p. 360.
J.Ph. Suijling, H.F.R. Dubois, Inleiding tot het burgerlijk recht, 6e stuk (erfrecht), Haarlem: De erven F. Bohn N.V. 1931, p. 361. De hogere waarde van de onroerende zaak komt in die van de onderneming tot uitdrukking, hetgeen op de aanwezigheid van goodwill kan duiden. Zie daarover hoofdstuk 10, § 5.
J.Ph. Suijling, H.F.R. Dubois, Inleiding tot het burgerlijk recht, 6e stuk (erfrecht), Haarlem: De erven F. Bohn N.V. 1931, p. 361.
J.Ph. Suijling, H.F.R. Dubois, Inleiding tot het burgerlijk recht, 6e stuk (erfrecht), Haarlem: De erven F. Bohn N.V. 1931, p. 362, 363. Op grond van art. 1148 lid 2 BW oud dienden bijde verdeling van een nalatenschap bezwaarde onroerende goederen op dezelfde voet als overige onroerende goederen, waarbij ‘de hoofdsom der lasten van den geheelen prijs des goeds afgetrokken’ werd.
Voor de waardering op basis van verkoopwaarde wordt in Klaassen-Eggens-Luijten onder meer verwezen naar Suijling-Dubois, nrs. 271 en 272.1
Ondanks dat de wet zich niet uitlaat over ‘de beginselen waarnaar de deskundigen hunne taxatie hebben te verrichten’, wordt in Suijling-Dubois uit art. 1123 lid 2 BW oud afgeleid dat het om de bepaling van de verkoopwaarde gaat, en niet de aanschaffings- of gebruikswaarde. In dat artikellid wordt voor officieel genoteerde effecten namelijk de beursnotering op de verdelingsdag als uitgangspunt genomen, en deze valt samen met de verkoopwaarde.2 Dat daarmee niet alle moeilijkheden zijn opgelost, wordt geïllustreerd met het voorbeeld dat een goed, al naar de daaraan gegeven bestemming een hogere oflagere verkoopwaarde kan bezitten:
‘Voor een stuk land geeft hij, die het als weide wil bezigen, een minderen prijs dan degeen die het als bouwterrein denkt te exploiteeren. Met het oog op welke bestemming dient nu de schatting plaats te vinden? Met het oog op die, welke het hoogste bod doet verwachten. (een vraagteken ontbreekt hier al dan niet terecht; toevoeging WB)’3
De conclusie in Suijling-Dubois luidt derhalve dat bij de waardering in grote mate moet worden geabstraheerd van de bestemmingsbedoelingen van een verkrijger. Er is sprake van objectivering. In onderling overleg kunnen de deelgenoten van een ‘objectieve’ waarde afwijken.
In Suijling-Dubois wordt voorts het volgende voorbeeld gegeven:
‘Niet zelden bevinden zich in boedels onroerende goederen als fabrieken of winkelhuizen, waarin de erflater een bloeiend bedrijf uitoefende. Als zulk een pand aan een der erven wordt toebedeeld en deze tevens de handelsvoorraden en het recht tot het voeren van den handelsnaam benevens de fabrieks- en handelsmerken verkrijgt, komt hij in een feitelijke positie te verkeeren, die hem de voortzetting van de affaire van den erflater mogelijk maakt. Een cliëntèle of een bedrijf kan, omdat zij niet een object van een recht vormen, niet als een huis of een effect worden toegescheiden. Maar voor den feitelijken opvolger in de onderneming heeft het toebedeelde pand niettemin een veel hoogere waarde dan voor een willekeurigen kooper. Als verkoopswaarde moet onder die omstandigheden gelden niet wat voor de fabriek of het winkelhuis door een kooper van de gebouwen, maar wat daarvoor door een zgn. kooper van het bedrijf zou zijn betaald. Kortom, in de verkoopswaarde moet de min of meer monopolistische positie van den verkrijger-erfgenaam als opvolger in de onderneming van den erflater worden uitgedrukt.’4
Dit voorbeeld laat zien dat Suijling-Dubois voor de waardering van bijvoorbeeld een onderneming in een verdeling van een complexbenadering uitgaat. In de woorden van art. 21 lid 5 SW: wat in het economische verkeer als een eenheid pleegt te worden beschouwd, wordt – voor de waardering – in aanmerking genomen met inachtneming van die omstandigheid. Voorts staat Suijling-Dubois – ook – in dit voorbeeld een objectieve benadering voor: hetgeen een koper bereid is te betalen, is de ‘verkoopswaarde’. Het gegeven dat een van de erfgenamen het bedrijf voortzet, leidt niet tot een afwaardering. In de verkoopwaarde dient de monopolistische positie van de opvolgende erfgenaam tot uitdrukking te komen; hij wordt als een willekeurige koper van de onderneming behandeld.
De waarderingsdeskundigen moeten volgens Suijling-Dubois rekenen met alle omstandigheden die naar in het zakenleven gangbare opvattingen op de verkoopwaarde invloed uitoefenen: een vordering wordt gewaardeerd met inachtneming van haar looptijd en rentetype, maar ook met de soliditeit van de schuldenaar en de deugdelijkheid van een eventueel verstrekte zekerheid.5 De door een erflater tot zekerheid voor de nakoming van – ten laste van hem of van een derde komende – verbintenissen verstrekte zakelijke zekerheid is volgens Suijling en Dubois niet van invloed op de waarde van de verbonden goederen; de volle ‘verkoopswaarde’ wordt in aanmerking genomen. Voor de schulden waarvoor bedoelde zekerheden zijn verstrekt, staan zij – anders dan de wettelijke regeling in art. 1148 lid 2 BW oud – om billijkheidsredenen een waardering van de contante waarde van de schuld voor.6