Einde inhoudsopgave
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/7.5
7.5 Onderaandelen
mr. P.H.N. Quist, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. P.H.N. Quist
- JCDI
JCDI:ADS363339:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De mogelijkheid om onderaandelen uit te geven is niet voorzien in de wettelijke regeling betreffende de BV, omdat daaraan bij de BV geen behoefte bestaat, zie Kamerstukken II 1969/ 70, 10689, 3,p. 10.
Voorbeeld ontleend aan Huizink, GS Rechtspersonen, artikel 2:79 BW, aant. 7 (online, bijgewerkt1 maart 2015).
Schwarz, GS Rechtspersonen, artikel 2:113 BW, aant. 2 (online, bijgewerkt 14 mei 2017).
Zie nog Rb. Roermond 26 februari 1987, NJ 1988/249. Hierin is bepaald dat een besluit tot het uitoefenen van stemrecht op aandelen die deel uitmaken van een onverdeeldheid, slechts tot stand kan komen met instemming van alle deelgenoten, en dat bij gebrek aan overeenstemming ook namens de onverdeeldheid geen stem kan worden uitgebracht.
Zo ook Klamer 1993.
Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013/166.
De wet voorziet slechts in onderaandelen bij de NV.1 Onderaandelen zijn de onderdelen, waarin de aandelen krachtens de statuten zijn of kunnen worden gesplitst (2:79 lid 2 BW). Een evenredige splitsing is niet vereist. Zo kan een aandeel van € 1.000 worden gesplitst in drie onderaandelen van respectievelijk € 500, € 300 en € 200.2 Onderaandelen maken geen onderdeel uit van de aandelen waaruit zij voortkomen. Het zijn zelfstandige vermogensrechten waarover afzonderlijk kan worden beschikt. De bepaling van Titel 4 van Boek 2 BW over aandelen en aandeelhouder vinden overeenkomstige toepassing op onderaandelen en houders van onderaandelen voor zover uit die bepalingen niet anders blijkt (2:79 lid 3 BW). De vraag kan worden gesteld wat de reden zou zijn onderaandelen te creëren als daarvoor, evenals voor de creatie van andere soorten aandelen, een statutenwijziging nodig is. Het zou in het gegeven voorbeeld eenvoudiger zijn geen onderaandelen in statuten te voorzien, maar aandelen met een navenant lagere nominale waarde waarin het aandeel wordt gesplitst. De minimale coupure van een NV aandeel is echter € 0,01. Een aandeel met die minimale nominale waarde kan slechts worden gesplitst in onderaandelen.
De rechten en verplichtingen die zijn verbonden aan de onderaandelen zijn afgeleid van de aandelen. Tenzij de statuten anders bepalen zijn aan onderaandelen vergelijkbare rechten en verplichtingen verbonden als aan aandelen. Als ten aanzien van de overdracht van aandelen een blokkeringsregeling geldt, zal deze ook voor onderaandelen gelden, tenzij de statuten anders bepalen. De vraag rijst of de statuten aan onderaandelen rechten en verplichtingen kunnen verbinden die afwijken van die welke aan aandelen zijn verbonden. Dat lijkt mij niet uitgesloten, al ligt het niet voor de hand.
Ten aanzien van de uitoefening van het stemrecht koppelt de wet de rechten verbonden aan aandelen aan de rechten verbonden aan onderaandelen (2:117 lid 1 BW). Houders van onderaandelen, tezamen uitmakende het bedrag van een aandeel, oefenen deze rechten uit, hetzij door één van hen, hetzij door een schriftelijk gevolmachtigde.3 Een afwijkende regeling omtrent stemrecht ten aanzien van onderaandelen lijkt mij niet mogelijk. Ten aanzien van het aan onderaandelen verbonden stemrecht bepaalt artikel 2:118 lid 6 BW dat onderaandelen, die samen het bedrag van een aandeel uitmaken, met een aandeel gelijk worden gesteld.4
Onderaandelen kunnen worden omgezet in aandelen. Nu onderaandelen evenzeer als aandelen worden bepaald door de inhoud van de statuten is daarvoor, zoals voor iedere conversie, statutenwijziging of een statutaire conversieregeling vereist.5 Hetgeen voor de conversie van aandelen geldt, geldt in beginsel evenzeer voor de conversie van onderaandelen. Door een aandeel te splitsen in onderaandelen, verdwijnt het aandeel. Aangezien de splitsing in onderaandelen een beperking van rechten met zich meebrengt, is voor de splitsing de instemming van de betrokken aandeelhouders vereist, aldus Dortmond.6 Dit lijkt mij juist. Niet alleen omdat dit een beperking van de rechten van de houder van onderaandelen tot gevolg heeft, maar meer nog omdat de aandeelhouder door een splitsing in onderaandelen daarna geen aandeelhouder meer is. Weliswaar komen hem als houder van onderaandelen aan aandelen gerelateerde afgeleide rechten toe, aandelen zijn het niet.
Splitsing van aandelen in onderaandelen wijkt in die zin af van de splitsing van aandelen in aandelen met een lagere nominale waarde, dat in het laatste geval na de splitsing aandelen ontstaan, en in het eerste geval geen aandelen ontstaan, maar onderaandelen waaraan andere (minder) rechten zijn verbonden. Goederenrechtelijk ontstaan de onderaandelen echter uit de aandelen, zij het dat ter gelegenheid van deze splitsing het object van het vermogensrecht wijzigt, namelijk van een aandeel in een onderaandeel. De vraag is of een aandeelhouder moet gedogen dat een deel van zijn aandelenbezit wordt omgezet in onderaandelen, waarover deze weliswaar zelfstandig kan beschikken maar ten aanzien waarvan deze niet zelfstandig aandeelhoudersrechten kan uitoefenen. De vraag is dan ook of splitsing van aandelen in onderaandelen niet de instemming zou behoeven van de betreffende aandeelhouders. In wezen betreft het hier een ontneming van aandelen zonder wettelijke grondslag. Ik meen dan ook dat de splitsing van aandelen in onderaandelen de instemming van de betreffende aandeelhouders behoeft, tenzij deze mogelijkheid in de statuten is voorzien.
De vragen die ten aanzien van onderaandelen kunnen rijzen zijn legio. Indien, bijvoorbeeld, aandelen elk in vier onderaandelen zijn gesplitst kan de vraag worden gesteld of iedere vier door een aandeelhouder gehouden onderaandelen automatisch worden tot een gewoon aandeel. Ik meen dat dit niet het geval is. Onderaandelen zijn de aandelen waarin de aandelen krachten de statuten zijn of kunnen worden gesplitst. Tenzij de statuten bepalen dat iedere vier gehouden onderaandelen automatisch worden geconverteerd in een aandeel, blijven onderaandelen wat ze zijn. Daarbij kan de vraag worden gesteld of het zo moet zijn dat de vier onderaandelen die ofwel door statutenwijziging of door een statutaire conversieregeling in een aandeel worden omgezet afkomstig dienen te zijn uit hetzelfde aandeel. Dit is, zo meen ik, afhankelijk van hetgeen de statuten daaromtrent bepalen. Erg praktisch lijkt het me niet. Het lijkt me ook niet nodig dat de vier onderaandelen weer worden omgezet in hetzelfde aandeel als waaruit zij ontstonden. Dit kan een nieuw aandeel worden met een ander nummer. Dit aandeel ontstaat niet door uitgifte, maar door conversie van onderaandelen in een aandeel. De ‘lidmaatschapsverhouding’ tussen de houder van de onderaandelen en de vennootschap wordt ononderbroken gecontinueerd. Door deze conversie van onderaandelen in aandelen vindt in vermogensrechtelijke zin geen verschuiving plaats. Ook kan de vraag worden gesteld wat er gebeurt met een beperkt recht dat op aandelen rust die in onderaandelen worden gesplitst. Ook hier wordt naar ik meen de vermogensrechtelijke lijn gevolgd: Indien aandelen waarop een beperkt recht rust worden gesplitst in onderaandelen, komt het recht op de door splitsing ontstane onderaandelen te rusten.