Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/1.4
1.4 Toetsingskader
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633743:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit is de vertaling die de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State gebruikt als vertaling voor de criteria ‘cogency, seriousness, cohesion and importance’, die het EHRM stelt aan religieuze en niet-religieuze ‘beliefs’ en ‘convictions’, ABRvS 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2715, r.o. 9; Rechtbank Oost-Brabant hanteerde eerder begrijpelijkheid, serieusheid, samenhang en importantie als vertaling, Rb Oost-Brabant 15 februari 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:762, r.o. 5.3 en 5.5.Zie voor deze EHRM-criteria bijvoorbeeld EHRM25 februari 1982, Campbell and Cosans v. Verenigd Koninkrijk, r.o. 36; EHRM 7 juli 2011, Bayatyan v. Armenië, r.o. 110.
Om te bepalen of sprake is van gerechtvaardigde ongelijke behandeling, hanteert het onderzoek een toetsingskader met criteria voor de objectieve en redelijke rechtvaardiging van verschillen in fiscale behandeling. Deze criteria zijn ontleend aan enkele grondrechten en fundamentele beginselen. Ook beschouw ik voor de criteria de relevantie van het rechtspersonenrecht.
Het toetsingskader bestaat uit de volgende onderdelen.
Wanneer is sprake van verschil in fiscale behandeling?
In het kader van dit onderzoek is sprake van verschil in fiscale behandeling als er een fiscale faciliteit of een uitzondering van een wettelijke verplichting bestaat die wel voor rsli’s maar niet voor overige anbi’s geldt of onder andere voorwaarden, of als de fiscale faciliteit of uitzondering wel voor sommige rsli’s geldt maar niet voor andere of onder andere voorwaarden.
Wanneer is sprake van gelijke gevallen?
Niveau 1: rsli’s versus overige anbi’s
Rsli’s en overige anbi’s zijn voor mijn onderzoek gelijke gevallen als ze aan de criteria voldoen die de wet geeft voor de anbi-status. De anbi-criteria bespreek ik in hoofdstuk 6 Fiscaalrechtelijk perspectief – de anbi-regeling.
Niveau 2: religie versus levensbeschouwing versus spiritualiteit
Rsli’s met een daaraan ten grondslag liggende levensovertuiging die voldoet aan de door het EHRM gestelde vereisten van een bepaalde mate van overtuigingskracht, ernst, samenhang en belang,1 zijn voor dit onderzoek gelijke gevallen. De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging waarborgt religieuze en levensbeschouwelijke pluriformiteit en gelijkwaardigheid van religies onderling en van levensovertuigingen onderling.2 Dit deel van het toetsingskader wordt in hoofdstuk 4 Mensenrechtelijk en constitutioneel perspectief verder uitgediept.
Niveau 3: religieuze instellingen onderling, spirituele instellingen onderling en levensbeschouwelijke instellingen onderling
Voor dit onderzoek zijn gelijke gevallen de rsli’s die voldoen aan de eerdergenoemde EHRM-vereisten van een bepaalde mate van begrijpelijkheid, serieusheid, coherentie en importantie van belang. Ook voor dit niveau geldt dat de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging religieuze en levensbeschouwelijke pluriformiteit en gelijkwaardigheid van religies onderling en van levensovertuigingen onderling waarborgt.3 Dit deel van het toetsingskader komt in hoofdstuk 4 Mensenrechtelijk en constitutioneel perspectief aan de orde.
Wanneer is sprake van een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond voor een ongelijke fiscale behandeling van gelijke gevallen?
Voor de vraag of de wetsgeschiedenis een objectieve en redelijke rechtvaardiging van een geconstateerde ongelijke fiscale behandeling van gelijke gevallen geeft dan wel of er een dergelijke rechtvaardigingsgrond bestaat, toets ik de rechtvaardigingsgrond aan de volgende elementen:
De fundamentele beginselen scheiding van kerk en staat, de neutrale staat en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Het laatste beginsel is ook vastgelegd als grondrecht in diverse mensenrechtelijke instrumenten. Het gelijkheidsbeginsel is in deze drie rechtsbeginselen vervat. Deze beginselen worden uitgewerkt in hoofdstuk 4 Mensenrechtelijk en constitutioneel perspectief.
Het grondrecht op privacy. Dit grondrecht wordt uitgewerkt in hoofdstuk 4 Mensenrechtelijk en constitutioneel perspectief.
De civielrechtelijke inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen in artikel 2:2 BW. Deze inrichtingsvrijheid wordt uitgewerkt in hoofdstuk 5 Civielrechtelijk perspectief en vloeit voort uit de vrijheid van godsdienst.
Rechtsvormkeuze. Dit wordt uitgewerkt in hoofdstuk 5 Civielrechtelijk perspectief.
De toetsing aan dit toetsingskader vindt plaats in hoofdstuk 6 Fiscaalrechtelijk perspectief – de anbi-regeling en hoofdstuk 7 Fiscaalrechtelijk perspectief – heffingswetten rsli’s en andere anbi’s. Per anbi-faciliteit en per faciliteit of andere specifieke regel in de betreffende heffingswetten ga ik na of er verschillen zijn in fiscale behandeling op de drie niveaus. Als dat het geval is, onderzoek ik of de wetsgeschiedenis daar een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond voor bevat dan wel of een dergelijke rechtvaardigingsgrond daarvoor bestaat.