Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/11.3.3.1:11.3.3.1 Wettelijke omschrijving
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/11.3.3.1
11.3.3.1 Wettelijke omschrijving
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS611457:1
- Vakgebied(en)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Erfbelasting
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Schenkbelasting
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2000/01, 27 789, nr. 1, p. 9.
Kamerstukken II 2001/02, 28 015, nr. 3, p. 3.
Kamerstukken II 1983/84, 17 041, nr. 19, p. 2.
Kabinetsstandpunt inzake het rapport ‘De warme, de koude en de dode hand’ van de werkgroep modernisering successiewetgeving, Kamerstukken II 2000/01, 27 789, nr. 1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de tarieven van het successie- en schenkingsrecht wordt onderscheid gemaakt tussen twee groepen verbonden personen. Dit betreft tariefgroep I voor de echtgenoot, kinderen, afstammelingen in de tweede of verdere graad, en ongehuwde samenwoners als bedoeld in art. 24 lid 2 SW 1956. Voorts geldt tariefgroep II voor broers, zusters en bloedverwanten in de rechtopgaande lijn.
Op basis van art. 2 lid 6 AWR wordt de geregistreerde partner voor de toepassing van art. 24 SW 1956 op dezelfde wijze behandeld als een echtgenoot. Ongehuwde samenwoners kunnen ook in tariefgroep I vallen, mits zij aan bepaalde voorwaarden voldoen. In dit verband zijn in art. 24 lid 2 SW 1956 drie verschillende categorieën samenwoners omschreven, namelijk ‘notariële samenwoners’, ‘tweerelaties’ en ‘meerrelaties’.
Het begrip ‘notariële samenwoners’ is nader uitgewerkt in art. 24 lid 2 onderdeel a SW 1956. Hierbij gaat het om twee personen die een duurzaam bedoelde gemeenschappelijke huishouding voeren. Daarbij moeten zij een wederzijdse zorgverplichting hebben, die is vastgelegd in een notarieel samenlevingscontract. Deze voorwaarde is gesteld, omdat partners voor het successie- en schenkingsrecht hun keuze voor het partnerschap niet jaarlijks kenbaar kunnen maken.1 Het betreft immers tijdstipbelastingen. Daarbij kwam dat het kabinet ongehuwde samenwoners alleen als ‘partner’ wilde beschouwen, indien sprake was van een samenlevingsvorm die in termen van duurzaamheid en onderlinge zorgplicht naar maatschappelijke opvattingen gelijkwaardig is met het huwelijk en het geregistreerde partnerschap.2 Overigens moeten de personen ook gekozen hebben om elkaars ‘partner’ te zijn in de zin van art. 1.2 Wet IB 2001. De eis van het samenlevingscontract geldt echter niet voor het partnerschap voor de inkomstenbelasting. Voorts kunnen bloedverwanten in de rechte lijn niet als ‘notariële samenwoners’ worden aangemerkt.
In geval van overlijden moeten de samenwoners voor de toepassing van tariefgroep I ten minste zes maanden hebben samengewoond, te rekenen vanaf het moment dat zij de 18-jarige leeftijd hebben bereikt. Bij schenking moet de gemeenschappelijke huishouding ten minste twee jaar hebben geduurd.
Onder de ‘tweerelatie’ als bedoeld in art. 24 lid 2 onderdeel b SW 1956 wordt een gemeenschappelijke huishouding van twee personen verstaan, met eventuele kinderen die jonger zijn dan 27 jaar. De kinderen kunnen van één van hen zijn, of van hen beiden. Met een ‘kind’ is bedoeld een kind dat door de verkrijger en de erflater of schenker als een eigen kind is onderhouden en opgevoed. Een pleegkind wordt ook als een ‘kind’ beschouwd.
Om in aanmerking te komen voor tariefgroep I voor het successie- en schenkingsrecht, moeten de personen de gemeenschappelijke huishouding vanaf de leeftijd van 22 jaar gedurende ten minste vijf aaneengesloten jaren hebben gevoerd.
Volgens de parlementaire geschiedenis is de ‘meerrelatie’ een gemeenschappelijke huishouding van drie of meer personen.3 Dit begrip is omschreven in art. 24 lid 2 onderdeel c SW 1956. De personen moeten de gemeenschappelijke huishouding vanaf de leeftijd van 22 jaar gedurende ten minste vijf aaneengesloten jaren hebben gevoerd, om in aanmerking te komen voor de toepassing van tariefgroep I voor het successie- en schenkingsrecht.
Zoals in paragraaf 11.3.1 is opgemerkt, heeft de Commissie Moltmaker aanbevolen om voor gehuwden, geregistreerde partners en ongehuwde samenwoners een eenduidige regeling te treffen voor het aanverwantschap in de SW 1956. Omdat een bloedverwant in de eerste graad van een ex-partner op basis van dit voorstel in tariefgroep I zou vallen, was tevens voorgesteld om de ex-partner zelf ook onder tariefgroep I te brengen.4 Deze voorstellen zijn echter niet overgenomen.
Op basis van het besluit van 21 juni 2007, nr. CPP2007/1223, V-N 2007/33.24, wordt wel een tegemoetkoming verleend in situaties van schenkingen tussen aanstaande echtgenoten en aanstaande partners. De tegemoetkoming is het verschil tussen het verschuldigde recht, en het successie- of schenkingsrecht dat zou zijn verschuldigd indien van een ‘echtgenoot’ zou zijn verkregen. Er wordt eenzelfde tegemoetkoming verleend ingeval van schenkingen tussen ex-echtgenoten en ex-partners, en verkrijgingen krachtens erfrecht ten gevolge van het overlijden van een ex-echtgenoot of de ex-partner, voor zover de verkrijging plaatsvindt ter uitvoering van een echtscheidingsconvenant of een door de ongehuwde samenwoners overeengekomen verdeling.
In tariefgroep I vallen ook de kinderen van de erflater of schenker. Ingevolge art. 2 lid 3 onderdeel i AWR omvat het begrip ‘kind’ verschillende soorten kinderen, omdat in deze bepaling de eerstegraads bloedverwant en de aanverwant in de neergaande lijn als ‘kind’ wordt aangemerkt. Het gaat in art. 24 SW 1956 dus om ‘eigen’ kinderen, adoptiekinderen, erkende kinderen, maar ook om stiefkinderen ofwel kinderen van de echtgenoot. Op basis van art. 2 lid 6 AWR geldt dit ook voor kinderen van de geregistreerde partner. Voor de groep ‘notariële samenwoners’ telt een kind van de partner met wie de erflater of schenker ongehuwd samenwoont, echter niet mee. Voor ‘tweerelaties’ tellen zij wel mee.