Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/10.3
10.3 Kwalificatie van een groepskenmerk als godsdienst of levensbeschouwing door de rechter
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS456421:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Gerechtshof Amsterdam 18 december 1952, aangehaald door Sackers, Strafblad 2009, p. 226.
HR 9 oktober 2001, NJ 2002, 76, m.nt. De Hullu.
HR 16 december 1986, NJ 1987, 534, r.o. 4.1.1.
HR 16 december 1986, NJ 1987, 534.
Rb. Rotterdam 29 oktober 1993, RR 335.
Rb. Amsterdam 23 juni 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ9001, NJ 2012/370, NJFS 2011, 270, r.o. 4.2.
Rb. Amsterdam 23 juni 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ9001, NJ 2012/370, NJFS 2011, 270, r.o. 4.2. Zie ook HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR2009:BF0655 (het gezwel-arrest).
Gerechtshof ‘s-Gravenhage19 mei 2003, ECLI:NL:GHSGR:2003:AF8921, NJ 2003/382.
Gerechtshof ‘s-Gravenhage19 mei 2003, ECLI:NL:GHSGR:2003:AF8921, NJ 2003/382, r.o. 20.
In het navolgende bespreek ik de wijze waarop de rechter op grond van het bestanddeel ‘godsdienst en levensbeschouwing’ groepskenmerken als zodanig kwalificeert. Er zijn slechts een beperkt aantal zaken waarin dit aan de orde was. Te noemen valt het niet gepubliceerde arrest van het Hof Amsterdam uit 1952 tegen W.F. Hermans. In diens roman ‘Ik heb altijd gelijk’, zei een personage dat ‘katholieken het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van het Nederlandse volk zijn’. Hermans werd vrijgesproken van groepsbelediging omdat niet hij de uitlatingen had gedaan maar het fictieve personage in de roman.1
In een ander arrest, nu over de roman ‘Danslessen’, werden beledigende uitlatingen gedaan door een personage over de joodse achtergrond van de burgemeester van Zandvoort. Deze roman-burgemeester droeg dezelfde naam als de werkelijke, joodse burgemeester van Zandvoort. Een van de romanpersonen zei dat de gemeente slecht functioneerde en voegde daaraan toe: ‘maar ja, wat wil je ook, met zo’n joodje aan het hoofd’. De Hoge Raad oordeelde dat deze passage in zijn context als onderdeel van de roman moest worden uitgelegd, op grond waarvan daaraan het beledigende karakter ontviel.2
Ook in de Bazuin-zaak stond de joodse religie centraal. De vraag was of het opnemen van een kritische bijdrage over de exclusiviteit van het joodse geloof in het rooms-katholieke tijdschrift De Bazuin, strafbaar was. De redacteur stelde:
‘Hij [schrijver verwijst naar een andere auteur genaamd Shahak, JV] laat zien, dat het eigen is aan gesloten religieuze gemeenschappen, aan “uitverkoren volken”, dat de religie opgaat in wetten en regels en dat men bijna als vanzelf de buitenwereld naar de hel wenst en eventueel helpt. Zulk een “religie” verdient afgeschaft te worden.’3
Het Gerechtshof Arnhem sprak de verdachte vrij en de Hoge Raad bekrachtigde deze uitspraak. Het hof oordeelde dat verdachte geen opzet had gehad om joden wegens hun godsdienst te beledigen.4
Ook in de Circuit-zaak werd de exclusiviteit van het joodse geloof bekritiseerd. Ditmaal had de hoofdredacteur van het Rotterdamse uitgaansblad Circuit zich in het blad beledigend uitgelaten over joden, door te zeggen:
‘Mensen die zich uitverkoren voelen en dat fanatiek trachten uit te dragen zijn nu juist een gevaar voor de toekomst waarin rassen, sexen en geloven vreedzaam kunnen samenleven. Jehova’s, onverdraagzame Islamitische fundamentalisten, fascistische ariërs, voelen zich immers ook uitverkoren.’
De rechtbank oordeelde deze uitlating strafbaar vanwege de ‘volstrekt grievende zonder meer ontoelaatbare vergelijking en zelfs gelijkstelling van Joden met ‘fascistische ariërs’.5
In 2011 werd de politicus Wilders vervolgd wegens groepsbelediging en het aanzetten tot haat en discriminatie (artikel 137c en d). Wilders zou in verschillende interviews en zijn film Fitna verschillende uitspraken hebben gedaan die beledigend zouden zijn voor en zouden aanzetten tot haat tegen moslims. Het ging om uitspraken waarvan de strekking was dat de islam een zieke en fascistische ideologie was en waarin de Koran gelijkgesteld werd met Mein Kampf. Voor de rechter stond buiten kijf dat de uitlatingen betrekking hadden op de godsdienst van moslims. Wilders had zich volgens de rechtbank schuldig gemaakt aan grievende uitlatingen over de islam en over het gedrag van moslims, maar niet ten aanzien van de groep mensen, de moslims, die deze godsdienst gemeen hebben.6 De rechtbank oordeelde dan ook dat het bestanddeel ‘over een groep mensen wegens hun godsdienst’ niet was vervuld. De rechtbank overwoog dat alleen het aantasten van de eigenwaarde van de groep, omdat die een bepaalde godsdienst belijdt of een bepaalde levensovertuiging is toegedaan, strafbaar is. Kritiek op opvattingen en gedragingen — in welke vorm ook — valt volgens de rechtbank buiten het bereik van de strafbepaling.7
In de hierboven besproken zaken was steeds duidelijk dat de beledigende uitlating was gericht tegen een bepaalde godsdienstige of levensbeschouwelijke groep (of tegen de godsdienst van die groep). De rechter kon op basis van de uitlatingen van de verdachte het groepskenmerk probleemloos kwalificeren als godsdienst. De rechter motiveert zijn kwalificatie niet. Dit is goed te begrijpen omdat het allemaal erg voor de hand ligt. We kunnen de wijze van kwalificeren van de rechter in bovenstaande zaken niet associëren met een bepaalde politiek-filosofische benadering. In een zaak die in 2003 speelde voor het Gerechtshof Den Haag lag dit anders. Daarin stond de kwalificatie van het groepskenmerk ‘levensovertuiging’ ter discussie. Het betrof een artikel 12 Sv-klacht van de erven van Pim Fortuyn met als doel de vervolging van een aantal politici omdat zij anderen zouden hebben aangezet tot haat en geweld tegen Pim Fortuyn en de leden van de Lijst Pim Fortuyn (LPF). Volgens het hof valt het aanzetten van haat of het plegen van geweld tegen een groep wegens de politieke overtuiging niet onder de reikwijdte van ‘levensovertuiging’ in de zin van artikel 137d Sr. Dit gold volgens het hof evenmin voor de overtuiging van dierenbeschermers, ecologen of natuurgenezers.8 Het hof overwoog:
‘Bij levensovertuiging gaat het om fundamentele opvattingen over het leven in al zijn facetten, anders gezegd om beginselen waarnaar men zijn leven inricht. Een politieke overtuiging heeft geen betrekking op de inrichting van iemands leven, maar op de inrichting van de staat en het bestuur. Weliswaar kunnen die twee begrippen elkaar raken en zelfs ten dele overlappen, doch zij zijn in de kern verschillend van karakter.’9
In feite bevestigt het hof met deze overweging wat de regering ruim 30 jaar eerder met de terminologie ‘grondslag van levensbeschouwing’ beoogde (zie 10.2). Met deze uitleg van levensovertuiging wordt de reikwijdte ervan geobjectiveerd. Dat past bij het ideaaltype van liberaal gezindtepluralisme: onder levensovertuiging worden vanuit een traditioneel kader alleen uitlatingen gerekend die een fundamenteel karakter hebben en die betrekking hebben op de inrichting van het leven.