Morganatisch burgerschap
Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/6.1:6.1 Inleiding
Morganatisch burgerschap 2019/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181118:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel de term ‘revolutionairen’ niet geheel zuiver is in dit kader vanwege het fundamentele verschil tussen bijvoorbeeld de jakobijnen en de girondijnen, wordt de term ‘revolutionairen’ in dit proefschrift gehanteerd voor alle tegenstanders van het ancien régime.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het vorige hoofdstuk is de aandacht gevestigd op het Unieburgerschap en de werking ervan op de zogenoemde LGO. Daar is naar voren gekomen dat het Unieburgerschap op een atypische wijze doorwerkt op deze gebieden. Deze wijze van werking hangt nauw samen met de omstandigheid dat de LGO-regeling primair een uitzonderingsregeling is ten aanzien van de toepasbaarheid van het Europees Unierecht. Op grond van het VwEU is Deel IV met als titel ‘De associatie van de landen en gebieden overzee’ van toepassing aldaar. Niettemin blijkt uit de in Hoofdstuk IV behandelde rechtspraak van het Hof van Justitie dat meerdere Unierechtelijke principes en delen uit het communautaire acquis van toepassing zijn (geworden) op de LGO en de LGO-burgers. Uit een van de welbekende uitspraken die het Hof van Justitie deed in dit kader, namelijk die inzake Eman en Sevinger, volgt dat de ingezetenen van de LGO die de nationaliteit bezitten van een van de lidstaten, Unieburgers zijn. Uit hoofde daarvan kunnen zij aanspraak maken op rechten die voortvloeien uit Deel II VwEU, getiteld ‘Non-discriminatie en burgerschap van de Unie’. Het vijfde hoofdstuk van dit proefschrift illustreert in het gegeven kader onder meer de (ontwikkeling van de) koppeling van het Unieburgerschap aan het kiesrecht voor de leden van het Europees Parlement. Opmerkelijk is dat een lange tijd het burgerschap van de Unie niet uit de aard der zaak het kiesrecht voor het Europees Parlement met zich bracht. Verschillende factoren die afhankelijk zijn van het constitutionele bestel van de lidstaat speelden daarbij een relevante rol. In de uitspraak inzake Delvigne lijkt het Hof van Justitie echter te erkennen dat uit art. 39 EU-Handvest blijkt dat het burgerschap van de Unie tevens het kiesrecht voor het Europees Parlement met zich brengt. Het voorgaande komt erop neer dat de Europese Unieburger overzee naar de huidige stand van zaken door middel van de personele werkingssfeer van het Unierecht dient te worden vertegenwoordigd in het vertegenwoordigend orgaan dat in Unieverband een (mede)wetgevende functie vervult, zijnde het Europees Parlement. Hiermee lijkt het Hof van Justitie een principe dat tot wasdom kwam gedurende en na de Franse Revolutie te hebben omarmd: burgers worden politiek vertegenwoordigd in het (mede)wetgevende orgaan en het kiesrecht is het vehikel dat die vertegenwoordiging mogelijk maakt.
De vraag op welke wijze in Frankrijk gehoor is gegeven aan het genoemde principe is in dit proefschrift tot dusver onbeantwoord gebleven. In Hoofdstuk II is aandacht besteed aan de opkomst en de wedergeboorte van het concept van burgerschap gedurende de Franse Revolutie. Daarbij is benadrukt dat het Frans revolutionaire denken, zoals tot uitdrukking gekomen in de geschriften van Rousseau, Sieyès en Constant, cruciaal is geweest voor het denken over burgerschap. In dat denken komt naar voren dat burgerschap uitgaat van een wederkerige rechtsverhouding tussen de burger en de rechtsorde waarvan de burger deel uitmaakt en dat burgerschap politieke representatie met zich brengt. Deze redenering gaat volgens Rousseau op voor rechtsordes met een forse bevolking, zoals blijkt uit zijn geschrift Considérations sur le gouvernement de Pologne. In deze rechtsordes is het immers praktisch niet mogelijk om iedere burger direct deel te laten nemen aan bijvoorbeeld het proces van wetgeving. Een verschil tussen Rousseau en Sieyès doet zich voor op het gebied van het vrije dan wel gebonden mandaat van de representant. De vraag of de representant gebonden is aan het mandaat van de gerepresenteerde wordt verschillend beantwoord door de auteurs. Rousseau beantwoordt deze vraag bevestigend, terwijl Sieyès naar een ontkennend antwoord neigt. Volgens Sieyès kan, zoals is uiteengezet in Hoofdstuk II, de algemene wil niet worden vastgesteld indien de representant in zijn optreden afhankelijk is van de gerepresenteerde. Constant heeft hieraan toegevoegd dat de toevoeging van politieke representatie aan het burgerschapsbegrip een breuk omvat met het begrip in zijn oorspronkelijke vorm. De burger is volgens Constant direct aan zet bij het uitoefenen van het kiesrecht voor zijn representant. Dit zesde hoofdstuk bespreekt de uitvoering van deze principes in de Franse staatkundige praktijk: hoe werd met betrekking tot de positie van de Franse burger overzee vorm gegeven aan het ideaal dat hij door middel van het kiesrecht politiek gerepresenteerd wordt in het wetgevende orgaan?
Het doel van dit hoofdstuk is tweeërlei: ten eerste dient het tot beantwoording van de vragen om welke reden(en) en op welke wijze gehoor is gegeven aan het principe dat iedere Franse overzeese burger door middel van gebruikmaking van het kiesrecht in het orgaan dat (mede) betrokken is bij het uitvaardigen van wetgeving gerepresenteerd wordt (paragraaf 3). Ten tweede strekt het ertoe de betekenis te achterhalen van de toepassing van het Unieburgerschap, in het bijzonder politieke representatie van Franse overzeese burgers in het Europees Parlement, op de Franse LGO voor de duiding van het Franse burgerschap (paragraaf 4). Eerst wordt in paragraaf 2 aandacht besteed aan de omwenteling in het burgerschapsdenken gedurende de periode van het ancien régime en de Franse Revolutie. Wat was het politiek staatkundige klimaat in Frankrijk gedurende het ancien régime en op welke wijze probeerden de revolutionairen1 door middel van het eeuwenoude concept van burgerschap verandering te brengen daarin? Hoe werd uitvoering gegeven aan het ideaal dat burgers politiek dienen te worden gerepresenteerd in het parlement? En, tot slot, op welke wijze is het Franse parlement betrokken bij het wetgevingsproces?