Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/6.5.2.1
6.5.2.1 Voorbehoud van goedkeuring door een derde als vormvoorschrift
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS301884:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wat echter bijv. te denken van de navolgende formulering in een intentieverklaring: 'Het staat X B.V. vrij om de onderhandelingen met Y B.V. af te breken zolang de Raad van Commissarissen van X B.V. het onderhandelingsresultaat nog niet heeft ondertekend'. Hier is evident sprake van een goedkeuringsvoorbehoud waarbij de goedkeuring echter kennelijk slechts schriftelijk kan worden verleend. Of, een stap verder: 'Het staat X B.V. vrij om de onderhandelingen met Y B.V. af te breken zolang de Raad van Commissarissen van X B.V., daartoe in voltallige vergadering bijeen, het onderhandelingsresultaat nog niet heeft goedgekeurd.'. Hier is de voorgeschreven vorm kennelijk het geven van het la-woord' in een voltallige vergadering van commissarissen.
Hoewel men wellicht op het eerste gezicht niet geneigd is om een dergelijk goedkeuringsvoorbehoud als een vormvoorschrift is te kwalificeren, valt bij nadere beschouwing niet in te zien waarom niet; net zo goed als men het uitspreken van een bepaalde formulering door de ambtenaar van de burgerlijke stand (als voorwaarde voor het tot stand komen van een huwelijk) kan kwalificeren als een vormvoorschrift, kan men betogen dat de voorgeschreven vorm eruit bestaat dat de commissarissen la, ik wil" zeggen op de vraag of zij met het onderhandelingsresultaat kunnen instemmen Desalniettemin geeft ik toe dat het bepaald minder voor de hand ligt om een goedkeuringsvoorbehoud als een vormvereiste te kwalificeren dan als bijv. een opschortende voorwaarde of een beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid. Veel zal afhangen van de gekozen bewoordingen waarin het voorbehoud is geformuleerd.1
Het zijn de vormvoorschriften in enge zin waarop bijv. art. 3:39 BW het oog heeft, zij het dat dit artikel alleen ziet op vormvoorschriften die voortvloeien uit de wet. Art. 3:39 BW kwam hiervoor al ter sprake bij de wettelijke voorbehouden. Het artikel, dat bepaalt dat tenzij uit de wet anders voortvloeit, rechtshandelingen die niet in de voorgeschreven vorm zijn verricht, nietig zijn, ziet niet op bedongen vereisten. Hebben onderhandelende partijen derhalve bijv. afgesproken dat tussen hen eerst een overeenkomst tot stand komt wanneer die op papier is gezet en is ondertekend door beide partijen, dan kan, zolang aan die voorwaarde nog niet is voldaan, geen beroep worden gedaan op art. 3:39 BW. De sanctie volgt dan uit (de interpretatie van) de overeenkomst, waarbij — zoals hierna zal worden verdedigd nietigheid of vernietigbaarheid als sanctie ook in dat geval doorgaans de uitkomst zal zijn.