Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/2.2.3.4
2.2.3.4 Naar de eischen van zijn bedrijf
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180135:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, Tweede Kamer, vergaderjaar 1932-1933, nr. 253.3 (MvT), p. 6.
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, Tweede Kamer, vergaderjaar 1933-1934, nr. 72.1 (V.V.), p. 1.
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, Tweede Kamer, vergaderjaar 1932-1933, nr. 253.3 (MvT), p. 6.
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, Tweede Kamer, vergaderjaar 1933-1934, nr. 72.2 (MvA), p. 5.
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, Tweede Kamer, vergaderjaar 1932- 1933, nr. 253.3 (MvT), p. 6.
J. Rutgers, Openlegging en overlegging van boekhouding (diss. Groningen), Zwolle: Uitgevers-maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1949, p. 97.
In de Memorie van Toelichting heeft de minister opgemerkt dat voor de verplichting tot boekhouden geen goede reden was om de industrieel of landbouwer anders te behandelen dan de koopman.1 Dat was ook de reden om de verplichting van artikel 6 lid 1 WvK op te leggen aan een ieder die een bedrijf uitoefent en niet langer alleen aan de koopman. De Commissie voor Privaat- en Strafrecht vroeg in het Voorlopig Verslag nog expliciet aandacht voor het feit dat de vervanging van de koopman door een ieder die een bedrijf uitoefent, niet zou moeten leiden tot een uitbreiding van de adressanten van de verplichting tot boekhouden.2 Dit was echter wel het geval.
De uitbreiding had echter niet tot doel om de kleine ondernemer zwaardere verplichtingen op te leggen dan al onder het oude artikel 6 lid 1 WvK voor hem golden.3 Bovendien werden de woorden “naar de eischen van dat bedrijf” in artikel 6 lid 1 WvK toegevoegd, waarmee de minister dit ook duidelijk wilde maken. In de Memorie van Antwoord merkt de minister het volgende op:4
“Naar het den ondergeteekende voorkomt, vallen van de verruiming van art. 6K. geene nadeelige gevolgen te duchten. Het tegenwoordige art. 6 K. legt reeds de verplichting tot boekhouden op personen als straatventers, kleine patroons, enz. Dat deze “kooplieden” onder de huidige bepaling nimmer geleden hebben, vindt zijn verklaring in de omstandigheid, dat art. 6 K. den omvang van de verplichting tot boekhouden van den aard van het uitgeoefend bedrijf doet afhangen. Het tweede lid van art. 6 K. spreekt toch van eene “naar de eischen van zijn bedrijf” ingerichte balans. Het geheele voorschrift wordt dan ook thans reeds opgevat, alsof het met zooveel woorden verklaarde, dat de koopman heeft boek te houden op de, in ondernemingen gelijk de zijne, gebruikelijke wijze. Ten einde iederen twijfel uit te sluiten, dat het gewijzigde art. 6 K. hem, die een bedrijf uitoefent, slechts tot boekhouding overeenkomstig den aard van zijn bedrijf verplicht, zijn in het eerste lid de woorden “naar de eischen van zijn bedrijf” ingevoegd. Gelijk de inrichting van de balans reeds thans, zal dus in de toekomst ook de inrichting der boeken, volgens uitdrukkelijk voorschrift, van den aard van het bedrijf afhangen. De hinder dien de kleine “bedrijfsman” van het nieuwe art. 6 K. zou hebben kunnen ondervinden, is hiermede afgewend.”
Hieruit volgt dat de aard van de werkzaamheden van het bedrijf in belangrijke mate de inrichting van de boekhouding mag bepalen. Daarnaast speelt ook de omvang een rol, zoals volgt uit de laatste zin van dit citaat. Dat de omvang van het bedrijf van invloed is op de wijze waarop de boekhouding mag worden gevoerd, blijkt ook uit de Memorie van Toelichting, waarin de minister opmerkt dat de rechter in de toekomst aan de boekhouding geen strengere eisen zal stellen dan overeenkomend met de aard en de omvang van de werkzaamheden.5 De conclusie van Rutgers is dan ook dat op basis van de Memorie van Toelichting kan worden geconcludeerd dat met name de aard (“van groote beteekenis”) maar ook de omvang van het bedrijf relevant is voor inrichting van de boekhouding.6